Waar is moeder?

30 maart 2019
Delen via:

Ineens had ik vier begrafenissen achter elkaar te doen. Dat schijnt niet te horen bij het werk van een geestelijk verzorger, maar er zijn nu eenmaal dingen die je niet niet kunt doen. De eerste was van een onverwacht gestorven vrouw, veel te jong. Ik wist al dat we van een broos soort zijn, ik wist het weer.

Met negentien mensen zaten we in de stilteruimte van ons ziekenhuis, in de leeftijd van 17 tot 86, drie generaties. Haar verdoofde echtgenoot, hun verbijsterde kinderen, de bedroefde oude ouders en schoonmoeder, zussen en zwagers, hun volwassen kleinkinderen.

‘We willen toch een dienst en een Woord dat hoop geeft,’ had haar man gezegd, ‘al zijn we geen lid meer van een kerk. Maar anders is het te kaal, dat klopt ook niet.’

Ze vertelden over wie ze geweest was, over haar liefde voor haar gezin en familie, haar klaterende lach, haar oog voor mooie dingen. Over haar vermogen verschillende talen van liefde te spreken: de appeltaart die ze nog snel bakte als er iets te vieren viel, een broek, waarin ze een gat gevonden en hersteld had, het boek dat ze voor iemand meebracht op een goed moment, de auto die ze ineens geregeld had om iemand op het vliegveld af te halen.

‘Waar is ze nu?’ vroeg ik. Ik keek de kring rond. Er werd ongemakkelijk geschoven, ik zag twee kleinkinderen een glimlachje uitwisselen. ‘Vertel eens?’ zei ik, ‘jullie hebben er gedachten over, zie ik.’

Schouderophalen. ‘In onze herinnering,’ zei de kleinzoon.

Het bleef even stil. Toen zei de grootvader: ‘Ik geloof dat ze in de hemel is.’

Weer glimlachjes. ‘Vertel maar,’ zei ik. ‘Daar denken jullie van alles over. Dit is geen overhoring, hoor. Maar kunnen we het erover hebben? We geloven in een leven vóór de dood, dat is belangrijk, daarover hebben jullie verteld. En verder? Waar hopen jullie op?’

Een zwager zei: ‘Moet dit echt? Dat heb ik allemaal al lang achter me gelaten’.

‘U hoeft niets te zeggen waar u geen zin in hebt,’ zei ik. ‘Maar het is een onderwerp waar mensen al eeuwenlang over nadenken, het zit in onze bedrading. Misschien is het toch goed om elkaar daarover te vertellen of alleen te luisteren welke gedachten daarover onder ons leven.’

‘Als u me maar niet wilt bekeren,’ zei hij.

‘Wie weet,’ zei ik. En ook dat ik niet goed wist hoe dat zou moeten: mensen bekeren. Maar dat wat mij betreft geen onderwerp op voorhand taboe was.

Haar man zei: ‘Ik weet het niet. Ik hoop dat er nog meer is na dit leven. Vroeger geloofden we dat. Nu weet ik dat niet meer. Er zijn tegenwoordig toch ook dominees die niet meer in een hemel geloven? We gaan al heel lang niet meer naar de kerk. We kwamen uit een leuke vrijgemaakte kerk, veel jeugdwerk en zo, we deden allemaal actief mee. Al onze vrienden zaten in die kerk. Dat zijn nog steeds onze vrienden, maar niemand van ons gaat meer.

De eerste tien jaar van ons huwelijk gingen we allemaal naar de kerk. Er is iets erg vervelends gebeurd, toen een van onze vriendinnen rond haar vijfendertigste ongehuwd zwanger werd. Haar kindje werd dood geboren. Er was een ouderling die wist hoe dat kwam: hij zei dat het een straf van God was, omdat ze niet getrouwd was. Toen zijn we met z’n allen uit de kerk gegaan. Daar wilden we niets meer mee te maken hebben. Maar mijn vrouw had een eenvoudig geloof. Zij brak zich het hoofd niet over oeroude verhalen zoals over Noach, die voor de watervloed uit alle dieren per paar in zijn ark verzamelde. Dat was voor haar niet echt iets om over wakker te liggen.’

Zoon Krijn sprong in: ‘Dat zijn nou precies van die verhalen die ik niet snap, wat kun je daar nou mee? Iedereen weet toch dat dat onzin is. Al die dieren op één schip, dat geloof je toch zelf ook niet, Pa? Trouwens, dat hele scheppingsverhaal, het is toch primitief om daar nog één woord van te geloven?’ En tegen mij: ‘Geloof en wetenschap zijn onverenigbaar, dat heb ik wel geleerd. Als je op school hoort hoe het zit met de evolutie van de wereld, en je moet ondertussen deze verhalen geloven, dan slaat dat echt nergens op, zo wereldvreemd. Mijn moeder vond dat lastig, dus we hadden het er maar niet over.’

De drie uitvaarten daarna waren allemaal anders. Maar alle keren zat ik in onze stilteruimte te luisteren naar verhalen van families en generaties die waren weggelopen uit een instituut waarin oordeel en angst te veel het klimaat hadden bepaald. Oordeel en angst zijn zusjes, weet ik intussen. Er was blijkbaar geen aandacht geweest voor de vraag of het nu waar is dat geloof en wetenschap onverenigbaar zijn, of dat dat een nieuwe mythe is.

Ik voel grote urgentie om de belangrijke vragen van de generaties serieus te nemen. Daar is al veel werk van gemaakt, maar er moet wel enige moeite voor gedaan worden. Als ik het wetenschappelijke en gelovige boek van Stefan Paas en Erik Peels God bewijzen uit heb, zal ik het aan Krijn uitlenen.

‘Kom maar op. We zullen zien,’ had hij gezegd.

 Uit Het kleine meisje van hoop  van Margriet van der Kooi

 

 

Reacties (1)

  • Angèla schreef:

    Een begrafenis voor mijn vader afgelopen zaterdag…&nu uw artikel in
    PUUR,..Dankuwel. ..

    w🌼der van liefde & licht,
    Angèla

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *