Hoop

26 december 2018
Delen via:


Bij de put is een eenzame gestalte bezig haar kruik te vullen en Maria’s hart begint te bonzen. Op haar hoede vertraagt ze haar pas terwijl ze met een hand de lege kruik op haar hoofd in evenwicht houdt. Ze is met opzet op dit ongewone uur water gaan halen zodat ze geen andere vrouwen en meisjes zou tegenkomen. Sinds ze terug is uit Judea gonst Nazareth van de geruchten. En die praatjes gaan over haar en Jozef. Als ze aan hem denkt komt er een brok in haar keel. Ze slikt en bandt hem uit haar gedachten. Ingespannen tuurt ze naar de gestalte bij de put. Een beverige zucht ontsnapt haar als ze ontdekt dat het Tirza is, haar buurmeisje. Als ze dichterbij is gekomen, zegt ze: ‘Sjalom Tirza.’


Ze glimlacht krampachtig, alsof alles nog gewoon is. Maar als Tirza haar schichtig aankijkt, weet ze dat ze waarschijnlijk ook deze vriendschap is kwijtgeraakt. Tirza’s blik dwaalt naar haar buik en Maria onderdrukt de neiging om haar handen voor haar middel te slaan. Haar wangen worden warm als ze beseft wat Tirza denkt en snel bukt ze zich om de kruik neer te zetten. Haar keel knijpt zich dicht. Niets is meer gewoon. Nog niet zo lang geleden hadden haar buurmeisje en zij samen brood gebakken, gespind en gelachen en nu groet ze haar niet eens terug. Ze friemelt aan de punt van haar omslagdoek terwijl Tirza de kruik op haar hoofd zet. Dan ineens kijkt Tirza haar aan, haar ogen staan hard: ‘Jozef is een goede man, ik bid dat hij een ander mag vinden.’
Vervolgens loopt ze weg zonder haar nog een blik waardig te keuren.

Als ze de leren in zak in de put laat zakken, prikken de tranen in haar ogen. Tirza is niet de eerste die haar veroordeelt en ze zal ook niet de laatste zijn. De avond ervoor had ze Jozef gezien, de eerste keer sinds ze terug was van haar oom en tante. Afgelopen nacht had ze nauwelijks geslapen door de blik in zijn donkere ogen. Het was verwarring en verbazing vermengt met een pijn die nu nog dwars door haar heen snijdt. De opmerking van Tirza voelt als zout in die wond. Ze slikt. Natuurlijk gaat Jozef ervanuit dat zij hem bedrogen heeft. Wat moet hij anders denken? Waarom was het allemaal zo moeilijk? Angstig bedenkt ze zich dat Jozef nu al lang bij de leiders van de stad kan zijn geweest om te vertellen dat het kind dat in haar groeit niet van hem is. Als ze de leren kom leegschenkt in de kruik vermengen haar tranen zich met het water. Ineens boos op zichzelf komt ze overeind en kwakt de leren zak op de rand van de put. Met de slip van haar omslagdoek veegt ze ruw haar tranen weg.
In gedachten hoort ze de woorden van de engel. De HEERE is met u. U bent gezegend onder de vrouwen. Een warm gevoel verspreidt zich vanuit haar buik door haar hele lichaam. Wonderlijk genoeg had tante Elisabeth de woorden herhaald toen ze bij haar op bezoek kwam. Ook had ze haar ‘de moeder van haar Heere’ genoemd.
Ze recht haar schouders en sluit even haar ogen als de zon haar gezicht streelt. De lucht is gevuld met de geur van bloeiende bomen en planten. Nog even, en dan zullen de dagen zo warm zijn, dat ze het wel uit haar hoofd laat om op dit uur van de dag naar de put te lopen.

Terwijl ze terug loopt, denkt ze aan haar ouders. Gelukkig hadden zij haar wel geloofd. Dat kwam vooral doordat zij had geweten dat tante Elisabeth een kind verwachtte. Iets wat zij gewoonweg niet had kunnen weten zonder ingrijpen van God. Zo onopvallend mogelijk raakt ze met haar vrije hand haar buik aan. Zacht fluistert ze: ‘Jezus.’
Dat de engel heeft verteld dat het Kind zo moet heten, weet alleen zij. Ze weet niet waarom, maar ze heeft de naam voor zichzelf gehouden. Ze zucht. Het is onvoorstelbaar dat dit Kind, waar haar omgeving zo veel moeite mee heeft, later op de troon van David zal zitten. Een brede glimlach verspreidt zich over haar gezicht als ze daar aan denkt. De Romeinse soldaten zullen verslagen worden en Israël zal weer in vrijheid leven. Daar ziet ze reikhalzend naar uit.
Schichtig kijkt ze om zich heen. Voor God mag ze dan gezegend zijn, in Nazareth kunnen ze zich elk moment tegen haar keren. Nu sluimert de stad, maar ze weet uit ervaring dat dat in een oogwenk kan veranderen. Zou Jozef al bij de leiders zijn geweest? Weer voelt ze de angst en ze verfoeit zichzelf erom. God heeft haar dit Kind beloofd, Hij zal haar niet laten sterven. Terwijl ze de kruik in evenwicht houdt en met rechte rug flink doorstapt, prevelt ze zacht een gebed: ‘Gezegend bent U, Heer onze Koning, die hemel en aarde gemaakt heeft. Help mij om naar U te blijven kijken en me niet te laten leiden door de reacties van de mensen om mij heen.’ Ze aarzelt even en zegt dan snel: ‘En zegen Jozef.’

Op de terugweg komt ze alleen een reiziger tegen met een afgeladen ezel. Haastig stapt ze door. Nog even en dan is ze weer op hun veilige erf, buiten het bereik van de onderzoekende ogen en het geklets. Ze wandelt het pad op dat naar de poort leidt als ze een gestalte tegen de muur ziet staan. Meteen begint haar hart te bonken. Het is Jozef! Als hij haar ziet, kijkt hij snel om zich heen en maakt zich los van de muur. Terwijl hij grote stappen neemt om bij haar te komen, komen haar voeten vanzelf tot stilstand. Dan staat hij voor haar.

Hij kijkt haar aan en als ze de schittering in zijn ogen ziet begint zachtjes de hoop te fladderen in haar binnenste. Geen pijn, alleen bewondering. Als ze zijn woorden hoort, hapt ze naar adem. Hij fluistert: ‘U zult Hem de naam Jezus geven.’

Nine de Vries

PUUR! boekentip:

In dit boek zijn achttien fonkelnieuwe verhalen opgenomen, geschreven door een keur aan auteurs, ervaren schrijvers en debutanten. Allemaal laten ze op geheel eigen wijze het licht van Kerst schijnen.

Reacties (2)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *