Kerstavond – deel I

2 december 2018
Delen via:

De komende weken zullen we een verhaal uit “Kerstavond – Kerstverhalen” van Ria Borkent delen. In vier delen kunt je het hele verhalen lezen. Vandaag deel I.

Bij de derde beddenzaak lijkt ze meer geluk te hebben. Geen vrouw achter de toonbank, maar een man. Juiste leeftijd, zo te zien midden dertig. Hij staat iemand te helpen die aan afrekenen toe is. Op de achtergrond zweven de zachte klanken van In dulci jubilo. Ze loopt langzaam de winkel in, onder de glimmende kerstversieringen door, en bedenkt hoe prettig het is dat ze hem rustig van dichterbij kan observeren nu ze zich met
enige afstand opstelt, schuin achter zijn klant.

Hij schuift twee strakverpakte dekbedhoezen in een grote plastic tas en zet die rechtop op de toonbank. Zijn handen zien er jong en sterk uit met kabels als gladde bergkammen, egaal van kleur, geen vlekkenlandschap zoals bij haar. ‘Gaat het zo mee? Of wilt u het bezorgd hebben?’ Vriendelijke, lage stem.
Bruin haar dat warrig over het voorhoofd valt. Goede oogopslag.
Ze kijkt naar zijn armen in het soepel vallende colbert en stelt zich voor… Onbekende jonge armen, het moet een onbekende zijn.
Ze schrikt een beetje wanneer hij haar aanspreekt. De klant voor haar is uit beeld verdwenen en zijn gezicht is nu recht voor haar in de aanmoedigingsmodus. ‘Zegt u het maar.’ ‘Ik was aan zee in een appartement en daar hadden ze een hoofdkussen op bed liggen dat leek een soort luchtkussen.’ Ze zwijgt, voelt zich belachelijk en koppig tegelijk. Ze ziet haar gezicht opgeblazen weerspiegeld in een kerstbal die op de toonbank in een kerststukje is verwerkt. Haar handen omklemmen de sluiting van haar tas alsof het de veiligheidsbeugel is in een achtbaan.
‘Als een springkussen,’ probeert de verkoper. Zijn linker mondhoek krult op, wat zijn gezicht een toegeeflijke uitdrukking geeft.

‘Misschien lag het ook wel aan het sloop, dat was met rubber gevoerd. Ik hoefde hem de hele nacht geen een keer op te stompen als ik me omdraaide. Terwijl ik dat bij mijn kussen wel moet.’ De verkoper kijkt naar haar gerimpelde handen of hij zich wil vergewissen van hun stompkracht.
Er komt een peinzende trek op zijn gezicht terwijl hij achter de toonbank vandaan komt en langs de bedden naar een open kast toe loopt. Hij gooit verschillende pakken op een bed neer, ontdoet ze van hun plastic beschermhoes en drukt ze beurtelings in onder verklarende teksten als ‘deze is wat zachter’, ‘deze is steviger’, ‘dit is honderd procent eiderdons’,
‘dit is synthetisch’.

Hoofdkussen

Ze kijkt naar de hoofdkussens en ziet ze ingedeukt, opgeschud, gebruikt. Op al deze kussens zullen mensen hun hoofd neervlijen, er zullen boeken onder liggen, zakdoeken, horloges, pyjamabroeken, oordopjes, condooms, foto’s, mobieltjes. Er zullen tranen op hun sloop vloeien, make-up resten
op achterblijven en haren, speekselslierten in trekken en woeste snottebellen aan worden afgeveegd. Er zal op worden geschreid, gesnurkt, gebeden, wakker gelegen, gedroomd, gewoeld, gepiekerd en geslapen. Doorleefde hoofdkussens zullen het zijn, kussens die als knuffels vast
omklemd worden, gehate kussens die nooit goed liggen, lijf-eigen kussens die mee moeten op reis, kussens met de geur van de geliefde.

De dag voor kerst

Ze denkt terug aan een winter. De dag voor kerst. De verschrikking van die middag en nacht. De politie aan haar deur, de kinderen die gauw ergens ondergebracht werden, de geur van het ziekenhuis waar ze hem terugzag enkele uren nadat hij in de namiddag een kerststukje was gaan
brengen naar een oude vrouw in zijn wijk. Peter zou maar een uurtje weg zijn. Toen dat langer duurde was ze onrustig geworden. Hij is even bij haar binnengegaan, hield ze zichzelf voor terwijl ze Mirja’s fruithapje begon klaar te maken en een ruzietje tussen de jongens beslechtte. Hij is aan
de praat geraakt. Peters aandacht voor oudere of ongeziene mensen, even een praatje of een grap, een groet, aanraking – het had haar vanaf het begin vertederd en in zeker opzicht trots op haar man gemaakt.

Het was een spookrijder geweest. De ambulancedienst had nog geprobeerd hem te redden, maar het was vergeefs gebleken; ze zag hem terug op de spoedeisende hulp in een zijkamertje, waar men haar heen bracht om afscheid te nemen. Haatte provinciale wegen sindsdien. Details flitsten op: haar helderheid en idiote vraagstelling: Heeft mevrouw Jansen dat kerststukje nog gekregen of was het op de heenweg? De kinderen die konden huilen in die dagen. Zijn geur die haar tegemoetkwam als ze zijn kledingkast opendeed die eerste weken, en hoe ze haar gezicht verborg in zijn schipperstrui, onverstaanbare kreten uitstotend. Zijn kussensloop dat ze maandenlang liet zitten als ze het bed verschoonde. Hoe kon ze Peter onthouden? De katoenen geur van pijn.

‘En dit hoofdkussen is honderd procent wolgevuld, van het Texelse schaap.’ Ze kijkt hoe hij het andere weghaalt en met een uitnodigende blik zijn arm naar het bed uitstrekt…….

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *