Een brief uit Berlijn

8 december 2019
Delen via:

Iedereen zegt dat ze vandaag niet zullen komen. Deze ochtend nog de slager, die over zijn dobbelsteentjes paardenvlees heen op de toonbank leunde en me vertrouwelijk in mijn oor bromde: ‘Vanavond blijven ze allemaal bij hun kerstkalkoenen, let op m’n woorden.’ En de aanplakker bij de reclamezuil, het kringetje nieuwshongerigen als bijen om hem heen, floot vrolijk tussen zijn tanden. ‘Nou mensen, op een stille nacht, zullen we maar zeggen!’ Maar vanbinnen weten we allemaal dat de oorlog geen kerstmis kent, dus als vanavond de sirenes klinken, schuift heel Berlijn achter het verduisteringspapier de stoelen achteruit, blaast de kaarsen uit, dekt nog snel de feestbieten af tegen het kalkgruis en haast zich naar de kelders.

Als ik beneden kom, is conciërge Niemeyer er al om het licht aan te steken en de kachel op te porren. ‘Altijd die Yankees,’ moppert hij, terwijl hij met grof geweld de sintels omschept. ‘En natuurlijk weer net als er aardappels te bikken zijn. Ik zeg je, jongeman: zúlke knollen. En nu staan ze hierboven koud te worden. Zou je ze niet, die salonpiloten?’

Op dat moment arriveert de familie Fischer van driehoog. Frau Fischer, haar beste japon aan en een bibberig watergolfje in het haar, drukt een reistas tegen zich aan. Herr Fischer sjouwt met twee zware koffers. Zoon Jürgen, in zijn uniform van de Hitlerjugend, draagt het porselein. Ik geloof niet dat ik hem ooit in iets anders de trap af heb zien komen. Zelfs bij middernachtelijk luchtalarm, wanneer we allemaal in pyjama en haastig aangeschoten dusters bij elkaar hokken, is Jürgen Fischer in vol ornaat. Zou hij soms slapen in dat paradepakje? We laten ons zakken op de bankjes langs de muren.

Jacobs voedertijd

Herr Fischer slaat een deken om de schouders van zijn vrouw. De conciërge zet het ventilatierooster open. Jürgen en ik turen met verholen spanning naar het trapgat, waar sloffende voetstappen de komst van de weduwe Zimmerman aankondigen. We zijn allemaal benieuwd waar ze vandaag weer mee aan komt zetten. De weduwe Zimmerman, moeten jullie weten, stoort zich niet in het minst aan de Yankees en hun bommen. Als het aan haar ligt, blijft ze gewoon op haar kamertje zitten terwijl om haar heen de stad in vlammen opgaat. De conciërge heeft haar ervan weten te overtuigen dat ze bij ons in de kelder moet komen als de sirene gaat, maar ze doet dat op één voorwaarde: ze laat zich niet onderbreken in haar bezigheden.

We hebben hier in de kelder al een tobbe met wasgoed gehad, verschillende spelende opwindgrammofoons, en natuurlijk was er die keer dat we de weduwe met schommelstoel en al van de trap moesten dragen omdat ze nog met haar middagdutje bezig was. Vanavond stiefelt er een enorme, gedeukte kooi naar binnen, vol fladderend gekrijs en de muffe geur van vogelpoep. ‘Het is Jakobs voedertijd,’ verklaart de weduwe Zimmerman, terwijl haar pantoffels tastend naar de treden zoeken.  De conciërge stapt snel naar voren om te voorkomen dat ze met lorre en al van de trap glijdt. Met een zwaai zet hij de kooi op de grond en begeleidt de weduwe naar haar plaatsje in de hoek.

Kerstfeest in de stad

Nog steeds loeien de sirenes, slepend en naargeestig als jankende honden. De conciërge kijkt naar de open deur en dan veelzeggend op zijn horloge. Er verstrijken vier minuten; het bankje naast me blijft treiterend leeg. Ik sta op het punt om een kijkje in de gang te nemen als twee tengere gedaantes haastig de trap afdalen. Geruisloos voegen Emmi en Robbie zich bij de groep. ‘Kon dat niet wat vlugger?’ bromt de conciërge, terwijl hij de deur achter hen sluit. Emmi haalt kort haar schouders op. Ze zet zich neer op het bankje. Robbie wurmt zich tussen ons in. Hij houdt een dik prentenboek tegen zich aan geklemd. Ik buig me opzij om de titel te kunnen lezen. Kerstfeest in de stad. Een kleurige illustratie van straten vol sneeuw en mensen siert de omslag.

‘Mooi boek?’ Robbie grijnst verlegen. ‘Van Emmi gekregen, vorig jaar.’ ‘En dit jaar?’ Hij geeft geen antwoord. Ik klop hem op zijn schouder. ‘Jij boft toch maar met zo’n zus.’ Robbie knikt heftig. Ik zie Emmi kijken, een kat die naar haar jongen loert. Oppassen, oppassen. Om me heen pakken mijn keldergenoten hun bezigheden op alsof ze niet weggeweest zijn: een boek, houtsnijwerk, een gesprek.

De sirenes huilen

De weduwe Zimmerman voert haar papegaai, Jürgen kijkt aandachtig toe. Hij verzint vast manieren om het arme beest onopvallend een paar stevige krachttermen te leren. Frau Fischer breit sokken voor haar oudste zoon in Rusland. Het is het enige wat ze voor hem kan doen en ze doet het met overgave. Er ligt hier inmiddels een voorraad waarmee heel Dieters regiment van warme voeten voorzien kan worden. Mochten we toch winnen in het oosten, dan is het vast en zeker te danken aan de starre verbetenheid waarmee Frau Fischer sokken breit.

Door het ventilatierooster klinkt nog steeds het klagelijke gejammer van de sirenes. Vliegtuigen zijn niet te horen. De hoop op vals alarm hangt onuitgesproken onder het lage plafond. Ik kijk opzij, waar Robbies blonde koppie in volle aandacht over zijn boek is gebogen. De sirenes huilen, maar hij niet. Ik gluur over zijn schouder mee naar de tekeningen. Versierde etalages, sneeuwballengevechten, rijk gevulde tafels met lachende mensen in de schaduw van een reusachtige kerstboom. ‘Mooi hè?’ zegt Robbie, terwijl zijn ogen dromerig gericht blijven op de sprookjeswereld op zijn knieën.

De nachtmis

Je zou denken dat wij, holbewoners en ruïneratten in een stad vol puin, dromen van vrede en huizen en nooit meer angst. Maar weet je, angst went. Het hoort bij de oorlog en het ís nu eenmaal oorlog. Het zijn vooral de kleine dingen die je mist: een kop verse koffie op zondagochtend, het schaterlachen van iemand die geen zorgen kent, tabak uit Londen, de hele nacht slapen, een stad vol lichtjes. Er schiet me iets te binnen. ‘Als de vliegtuigen weg zijn, neem ik jullie mee naar de nachtmis, goed?’

Als kind was ik dol op de nachtmis. De brandende kaarsen, het gezang, de tientallen mensen die door de gangpaden van onze dorpskerk naar hun plek schuifelden… Soms wou ik dat ik Robbie naar jullie op het platteland kon sturen. Ik weet dat hij welkom is en zijn overlevingskansen zijn er een stuk groter dan in Berlijn. Maar er is één probleem. ‘Doe geen moeite, Werner,’ zegt Emmi. Haar woorden klinken vlak, bijna onverschillig.

‘Wij vieren geen Kerst dit jaar.’ Snappen jullie? Ik laat mijn hoofd tegen de muur leunen en bestudeer haar vanuit mijn ooghoeken. Er is niets in de wereld wat me zo fascineert als Emmi Weiler. Ze woont nu vier maanden bij ons in de flat, nadat een bom haar ouderlijk huis wegvaagde. In één verschrikkelijke klap raakte ze haar vader, moeder, bezittingen en geloof in een barmhartige God kwijt. Desondanks – of misschien daarom – zal ze hulp altijd weigeren. Ik heb dat nu al vijftien keer aan den lijve ondervonden. Het ergert me ongelofelijk, zoals jullie merken.

‘De nachtmis,’ pruttelt de weduwe Zimmerman, die protestants is, met een zweem van minachting. ‘Beeldendienst en afgoderij.’ ‘Óns gebouw staat tenminste nog overeind,’ merkt Herr Fischer fijntjes op. Hij doelt op de Heilig-Hartkerk, die intussen inderdaad weinig concurrentie meer heeft. ‘Maar heus niet door toedoen van die stakker in Rome.’ We kunnen ons eindeloos vermaken met zulke discussies. Is het niet over religie, dan wel over de kwaliteit van het brood of de jicht van de weduwe Zimmerman. Alles is hier de afgelopen tijd wel gepasseerd in de periodes tussen de twee sirenesignalen in. Alleen politiek is een verboden onderwerp, en met uitzondering van het portret van de Führer dat hier waarschijnlijk door toedoen van Jürgen terecht is gekomen, wordt deze censuur stilzwijgend geëerbiedigd.

Sommige noemen het bidden

Frau Fischer heft plotseling het hoofd. Opeens luisteren we allemaal vol aandacht naar de geluiden die gedempt de kelder binnendringen. Er trilt iets in de lucht, een haast onhoorbaar zoemen dat elke seconde luider wordt. Onzichtbaar boven onze hoofden boort een zwerm wespen zich door het donker. De vliegtuigen komen. Alweer. Het afweergeschut begint te ratelen, harde knallen die elkaar snel opvolgen.

‘Als ik bij de Flak zat, zou ik het wel weten!’ gromt de conciërge. ‘Geen enkel fatsoen hebben ze, die Yankees. Op Kerstavond! Ik zou nu boven moeten zitten, aan m’n aardappels, kérels van aardappels, dat kan ik u wel vertellen! Ik had ze al op het vuur staan en…’ Hij stokt midden in zijn zin en trekt wit weg. ‘Verdraaid-nog-an-toe, dat staan ze nog steeds!’ Hij komt met een ruk overeind, stoot zijn hoofd tegen de lage zoldering en stommelt scheldend richting de trap. Herr Fischer en ik schieten tegelijkertijd van onze bankjes af. ‘Blijf hier, man! Je kunt toch nu niet meer naar boven?’ ‘M’n aardappels!’ ‘Niemeyer, goeie grutten, die aardappels zijn wel te vervangen!’ Mokkend zet hij zich weer in de hoek.

Wij staren met bonzende harten naar boven, alsof we door het beton heen kunnen kijken en de vliegtuigen met onze ogen bezweren: vlieg door, vlieg door. We denken dat het noodlot ons zal overslaan als we maar hard genoeg denken. Dat zei Emmi laatst tegen me, toen we na het sein veilig nog wat napraatten in de deuropening. ‘Sommigen noemen dat bidden,’ merkte ik op, waarop ze nukkig haar hoofd wegdraaide.

Het is kerst

De weduwe Zimmerman begint zachtjes te neuriën. Misschien is ze al een tijdje bezig, maar nu pas dringt het tot ons door. Es ist ein Ros entsprungen, zingen haar lippen, en haar grijze hoofd beweegt langzaam mee op de maat. Emmi kijkt haar aan met een blik waarin doorschemert dat ze zich afvraagt of de weduwe langzaam haar verstand aan het verliezen is. Jürgen schiet in een zenuwachtige proestlach. ‘Wat is er?’ vraagt de weduwe Zimmerman een beetje kribbig. ‘Het is Kerst, lieve buren. Laten we dan ten minste samen zingen.’

Vreemd genoeg heeft niemand daar echt bezwaar tegen. Dat is ook een manier. Niet denken, nergens aan denken, zeker niet aan het gebrul van de motoren, dat aanzwelt en de lucht zwaar maakt zodat de adem in je keel stokt. Breien, zoals Frau Fischer, met snelle, nerveuze steken. Lezen, zoals Robbie, en jezelf weg laten drijven naar een wereld van poedersneeuw en suikergoed. Of zingen dus. ‘Maar wat dan?’ vraagt Herr Fischer. ‘Fröhliche Weihnacht überall?’ opper ik. De conciërge lacht schamper.

Recht boven ons hoofd razen nu met donderend geweld de vliegtuigen. ‘Stille Nacht misschien?’ Vragende gezichten, neigende hoofden. ‘Pardon, wat zei je?’ Uiteindelijk sluiten we een compromis met Oh Tannenbaum. Omdat we elkaar nauwelijks kunnen verstaan, zetten we allemaal op een ander moment in. Je hoort alleen je eigen stem, een beetje onzeker, maar op een vreemde manier geruststellend. De Fischers leunen tegen elkaar aan terwijl ze zingen. Jürgen bromt mee terwijl hij quasionverschillig naar zijn schoenen kijkt. Emmi klemt haar lippen stijf op elkaar, maar haar ogen aarzelen.

De bommen

Een diepe dreun, die dwars door het vliegtuiggeronk heen trilt. Prompt valt het licht uit. De Tannenbaum sneuvelt in een koor van verschrikte kreten. Die eerste ogenblikken in het donker – geen hand voor ogen te zien en iedereen zwijgt – die zijn het ergst. Er dwarrelt fijn stof van de zoldering naar beneden. Even weet je niet zeker of je dood of levend bent. Dan begint de papegaai te krijsen, mensen roepen namen, opgelucht zucht je: het is de stroom maar, je haalt nog adem, je bent er nog.

De conciërge steekt de kaarsen aan. We klampen ons vast aan die flakkerende lichtpuntjes, terwijl we het stof van onze kleren slaan en wat bleekjes glimlachen. De weduwe Zimmerman sust haar papegaai en hangt een doek over de kooi. Nauwelijks zit ze weer op haar plek of de aarde beeft opnieuw. ‘Het spoor! Ze hebben het vast op het spoor gemunt,’ roept Jürgen. Zijn stem gaat verloren in het hoge fluiten van nieuwe bommen.

Onwillekeurig duiken we ineen. Daar vallen ze, tien, twintig bommen, elkaar opvolgend in een razend tempo. Berlijn davert en schudt op zijn grondvesten. Overal om ons heen gillen de granaten, de echo van hun inslagen gesmoord in nieuwe dreunen; de symfonie van het vuur, een danse macabre in drie delen. Onder onze voeten beweegt de grond en ook de muren lijken heen en weer te golven.

Met een klap wordt de Führer van zijn spijker geslingerd. Hij landt met zijn gezicht op de grond naast de vogelkooi. We kijken toe en zwijgen. Er is niets wat je kunt doen, dat is het punt. Je slikt de angst weg, die zich in je keel omhoog wurgt. Je bidt dat het ophoudt. Je denkt aan thuis.

In het halfduister van de kelder zie ik de breipennen van Frau Fischer nog steeds tegen elkaar tikken. Waar haalt ze de moed vandaan? Maar dan zie ik dat het haar handen zijn die zo beven. Jürgen naast haar verbergt zijn gezicht tussen zijn knieën. Zijn vader legt een arm om zijn schouders, maar die schudt hij nijdig af. De conciërge staart met een donkere blik naar de vloer.

De weduwe Zimmerman heeft haar handen gevouwen. Robbie is op de grond gaan zitten en leunt tegen Emmi’s been aan; hij houdt het prentenboek stijf tegen zich aangedrukt. Emmi’s gezicht staat strak en wit, haar mond vertrokken tot een smalle streep. We durven elkaar niet aan te kijken, bang voor elkaars angst. We zijn allemaal ons eigen wrakhout, waaraan we ons uit alle macht vastklampen.

Er moet iets gebeuren

Een geweldige klap scheurt de lucht uiteen. De muur stompt ons in de rug. Plakken kalk vallen van het plafond. Krakend trekt er een scheur in het beton. Vol ongeloof staren we ernaar. Een ogenblik lijkt alle lucht uit de kelder weg te trekken. Hysterisch gillen. Het is Frau Fischer. ‘Eruit! Ik wil eruit! We worden hier levend begraven, Heinz, we moeten eruit!’ Ze vliegt overeind, scheurt haar japon aan de ruwe splinters van het bankje. Herr Fischer klemt zijn hand om haar arm, maar ze trekt zich los. ‘Kom dan toch mee! Heinz!’

We moeten haar met drie man terug op de bank dwingen, waar ze ineenzinkt en hartstochtelijk begint te huilen. Ik zie ook Robbies lip trillen. Emmi heeft haar vuisten gebald. Er moet iets gebeuren, voor iemand écht gekke dingen wil gaan doen. Maar wat? De deur op slot doen? Hoe dwing je mensen in een krakende kelder te blijven? Hoe hou je paarden in een brandende stal? Dan valt mijn oog op de weduwe Zimmerman.

Ze is de enige die niet rondkijkt of in afgrijzen naar de scheur in de muur staart; ze zit dicht bij het kaarslicht en leest. Ik zeg het je, ze léést! Een idee. ‘Frau Zimmerman, mag ik uw bijbel even lenen?’ Ze kijkt wat verbaasd op, dan verschijnt er een glimlachje op haar gezicht. ‘Lees maar, jongen. Ik ken de Schrift zo ook wel.’ Ik neem het boek van haar over, ga tegen de muur staan met mijn rug naar de scheur. Emmi kijkt me wat bevreemd aan, de rest lijkt me niet eens te zien. Wegslikken die twijfel, doorgaan! Mijn stijve vingers bladeren naar Lukas 2. Hou er toch mee op, niemand luistert, fluisteren de stemmetjes. Toch schraap ik mijn keel.

 Lukas 2

‘En het geschiedde in die dagen…’ De vuurstorm loeit, overstemt mijn woorden. Een aarzeling. ‘… dat er een gebod uitging van keizer Augustus, dat de hele wereld ingeschreven moest worden…’ Ze kijken me aan, niet-begrijpend, zien natuurlijk enkel mijn mond bewegen. Frau Fischer huilt nog steeds. Emmi trekt vragend een wenkbrauw op. Ik laat de bijbel zakken, gegeneerd. Sufferd die je bent, om te denken dat je de boel wel onder controle zou kunnen krijgen! Ga terug naar je plek; als de bom valt, valt ie toch wel, en…

Een krachtige hand pakt de bijbel uit mijn handen, duwt me opzij. ‘Deze eerste inschrijving vond plaats toen Cyrenius over Syrië stadhouder was,’ buldert de conciërge boven het geluid van de explosies uit. Zijn voordraagtalenten zijn niet van de beste kwaliteit, maar effect heeft het wel. Ieders aandacht is nu gericht op de man achter in de kelder, die het zakbijbeltje wat onhandig in zijn enorme handen houdt en dwars tegen de bommen in bast. ‘En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken en legde Hem in de kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.’ Frau Fischer bedaart.

De weduwe Zimmerman geeft me een knipoogje. Ik schuif voorzichtig terug op mijn bankje, waar Robbie vertrouwelijk tegen mijn knie kruipt. Er is iets in die eeuwenoude woorden wat je kalm maakt. Misschien het vertrouwen dat je niet alleen bent, al brandt de wereld om je heen. Misschien de gedachte dat niemand, zelfs de Yankees niet, het kan laten ophouden Kerst te zijn. ‘Eer zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.’

Ik hoor Emmi naast me schuifelen op het bankje. Ik verwacht een opmerking, iets bitters. Vrede op aarde, en boven ons vallen de bommen. Maar in plaats daarvan leunt ze tegen mijn schouder, haar ogen gesloten. Waar ben je nu, Emmi Weiler? Thuis, bij je vader en moeder, toen je nog niet je eigen ouders moest zijn? Verder terug in de tijd misschien, toen je nog een kind was en geloofde in het wonder van Kerst? Ik probeer niet te bewegen, bang om haar terug te halen uit waar ze zich dan ook bevindt. Even, heel even, ben ik bijna gelukkig.

Sein veilig

Zoals het bombardement begint, houdt het ook op. Nooit weet je zeker wat de laatste bom is, maar op een gegeven moment stel je vast dat je geen knallen meer hoort, dat het motorgeronk wegsterft in de verte en dat je nog leeft. Langzaam ontwaken we uit onze angstroes. De eerste gesprekken komen op gang. ‘Dat was weer de moeite, zeg.’ ‘Het zal me benieuwen of er nog iets van het spoor over is. Bepaald zuinig waren ze niet dit keer.’ ‘Lelijke jaap zit er in die muur, Niemeyer. Wat doen we daarmee?’ ‘Komt in orde. Ik ken een kerel die daar wel raad op weet.’ Buiten razen de vlammen en knispert het vuur. Krakend vallen huizen in een vonkenregen uiteen.

Door het ventilatierooster schijnt een rossige gloed op de vloer. Boven brandt Berlijn. We pakken onze spullen en wachten op het sein veilig. De conciërge staat bij de deur en heft ongeduldig zijn hoofd, popelend om te zien wat er van zijn onfortuinlijke aardappels is overgebleven. De weduwe Zimmerman probeert haar papegaai te paaien met een korstje brood. Jürgen trapt per ongeluk een van zijn moeders porseleinen kopjes kapot, wat hem een fikse draai om zijn oren oplevert. Robbie is bij het rooster neergeknield en houdt een grote scherf omhoog die tussen de spijlen door naar binnen is geslingerd. Het schijnsel van de vlammen weerkaatst in het glas en doet het fonkelen als vurig goud. ‘Kijk eens Emmi! Net een kerstbal, hè?’ Ik zie hoe zij hem over zijn haar strijkt en tegen zich aan trekt. Even voel ik weer haar schouder tegen de mijne. Het zijn de kleine dingen waar we ons aan vastklampen: eten, serviesgoed, een kind in een kribbe, de glinsterende glasscherven van ons bestaan.

Soms moeten we ze zoeken, soms hoeven we alleen maar om ons heen te kijken. Duizenden, miljoenen scherven liggen vanavond in de straten te blinken, wachtend tot iemand ze opraapt of vertrapt. Met Kerst is ook Berlijn een stad vol lichtjes.


Dit verhaal is geschreven door Sarah van der Maas en komt uit de verhalenbundel ‘De Zoon’ 
Als e-book nog verkrijgbaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nieuwe kerstverhalenbundel

berlijn

Dansen in de sneeuw is een bundel met fonkelnieuwe kerstverhalen. De korte verhalen van onder andere Josha zwaan, Joke Verweerd en Vonne van der Meer zijn licht en vrolijk, spannend en gezellig, met sneeuw en kou. Een ideaal cadeau voor je moeder of een goede vriend, voor als de dagen korter worden. Verhalen ook om voor te lezen tijdens een kerstviering. De auteurs staan samen garant voor kwaliteit en afwisseling.

Met medewerking van Frans Willem Verbaas, Arie Kok, Elly Zuiderveld, Hay van den Munckhof, Vonne van der Meer, Lody van de Kamp, Joke Verweerd, Anne Büdgen, Eline de Boo, Nine de Vries, Iris Boter, Jacobine van den Hoek, Josha Zwaan, Ria Borkent, Renze Borkent, Marie van Beijnum en Désanne van Brederode.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *