Hoe schrijf je een boek? deel II

4 december 2018
Delen via:

Het diepe in

Tijdens het schrijven van mijn eerst drie romans had ik een schrijfcoach. Wat een luxe! Elke keer als ik vijf hoofdstukken had geschreven stuurde ik die haar toe, om ze wat later in de week terug te krijgen met aantekeningen in de marge. Op de een of andere manier wist ze haar commentaar zo te verpakken, dat het altijd positief aanvoelde; het was echt een gave. Ook haar gevoel voor humor hielp.

Zo voerde ik in Lege Handen een personage ten tonele dat ik in een later hoofdstuk een andere naam besloot te geven. Ja, dat heb je soms. Iemand heet eerst Bert, maar gaandeweg ontdek je dat het veel meer een Tom is. Hoe dan ook, ondanks mijn verbeteringen bleek ik ergens toch iets over het hoofd te hebben gezien.
Eh, niet om het een of het ander, maar waarom heet deze beste man hier opeens Bert??  wilde mijn coach in een van haar commentaren weten.
Huh? Ik was die naam allang vergeten, maar dat was waar ook, zo had ik hem aan het begin genoemd. Verder was ze een kei in het vinden van teveel van dezelfde woorden in een zin en stimuleerde ze me na te denken over alternatieven.

Of ik liet iemand een grapje maken, waarna zij opmerkte dat dit wel een erg hoog ‘Joop ter Heulgehalte’ had. Ze had natuurlijk weer vreselijk gelijk! Dankzij haar hulp kregen mijn personages meer body en werden ze geloofwaardiger.

Mijn schrijfcoach, kortom, was goud waard en ik overdrijf niet als ik zeg dat ik van haar meer geleerd heb dan van al mijn eerder gevolgde schrijfcursussen.
Wie schetst dus mijn afgrijzen toen ik het bij het schrijven van Een stip aan het einde van de wereld opeens zónder haar moest doen… Ik werd zomaar het diepe ingegooid. ‘Je bedoelt dat ik dit gewoon zonder begeleiding moet gaan schrijven?’ vroeg ik angstig aan mijn redacteur

‘Jazeker, dat kun je best’, 
was het zelfverzekerde antwoord. 

Nou, vooruit dan maar. Nu heb ik gelukkig een echtgenoot die heel geduldig naar mij luistert als ik een nieuw hoofdstuk aan hem voorlees. Soms snapt hij iets niet, en weet ik dat er dus iets niet helder is. Of ik merk zelf, al voorlezende, dat ik iets moet veranderen. Zoals ik in deze twee regels drie keer het woordje ‘iets’ gebruik. Vier keer, nu!
Maar, hoera, het lukte me om zonder hulp alle vijftig hoofdstukken te schrijven! Wel had ik twee meelezertjes, om me op de rails te houden als Lucine en haar vriendinnen met hun taalgebruik het spoor van een twaalfjarige bijster dreigden te raken.

En natuurlijk, nadat de eerste versie van het manuscript klaar was volgden er verschillende correctierondes. Kleine wijzigingen, wat puntjes op de i, allemaal onmisbaar als het gaat om het opsporen van onvolkomenheden. Want ook al lees je het dertig keer, als schrijver ontwikkel je een soort blinde vlek voor fouten. Je leest eroverheen, erlangs, eronderdoor, ik weet niet hoe het komt.

Wat ben ik altijd blij dat ik niet op een typemachine hoef te schrijven; kilometers correctielint jaste ik erdoorheen. Of nog erger: met de hand… Diep respect voor de auteurs van toen!

Femmie van Santen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *