De confrontatie

7 april 2018
Delen via:

Hoe lang ze ook in dat vreemde land woonde, één ding wende nooit. Dat was het geluid van de ambulances. In tegenstelling tot hun Nederlandse equivalenten, die dof en mechanisch loeiden, verspreidden Belgische sirenes een hoog en angstaanjagend gegil dat door merg en been ging. Het appartement van Nicole lag op een steenworp van de A12. Om die reden werd ze met regelmaat ruw uit haar dagdromen gerukt door het snerpende en oorverdovende geluid.

Zogezegd, het wende nooit. Telkens als de bazuin schalde – of ze nu de was ophing, aan haar boek schreef of op straat fietste – doemden er onheilspellende visioenen op. Van een dreigende Derde Wereldoorlog,  verminkte bouwlieden, catastrofale kettingbotsingen, neergestorte vliegtuigen en zieltogende hartpatiënten. Meestal lukte het Nicole om die visioenen van zich af te schudden, maar op een regenachtige dag in oktober ontkwam ze niet aan een  confrontatie.

Agenda

“Ik kan mijn sleutel nergens vinden,” mopperde Joris. Nicole keek op de klok. Kwart over acht. “Heb je je boekentas al ingepakt?” informeerde ze. Nee, de boeken lagen nog altijd her en der verspreid. De agenda van zoonlief was al dagenlang zoek, en nu groef hij in de kelderkast naar zowel zijn sleutelbos als zijn fluo-hesje. Het werd hem allemaal teveel. Als een ongeleid projectiel wankelde hij door het huis, luidkeels jammerend dat hij als elfjarige ook veel te veel verantwoordelijkheid had en dat al zijn spullen altijd zomaar verdwenen. Zijn broertjes stonden te trappelen om naar school te gaan. Fluo-hesjes aan, tassen keurig op de rug en met een ongeduldige blik in hun ogen. “Wanneer gaan we nou eens? Straks komen we allemaal weer te laat, door hém.” Het was tijd, besloot Nicole. Agenda of geen agenda. Vriendelijk wenste ze haar zoon succes met zijn expeditie en verdween. Toen het drietal eenmaal keurig op het schoolplein was afgeleverd, vervolgde ze haar weg door de vroege ochtendstilte. Eenmaal thuis trof ze haar zoon in tranen. Het was hem juist gelukt de tas gevuld te krijgen, maar nu was hij tien minuten te laat. Hij zou zich moeten verantwoorden bij de directeur. In een zorgelijke gemoedstoestand vloog hij de deur uit. “Doe voorzichtig!” riep Nicole hem nog na. Hij keek niet om.

Sirenes

Luttele minuten later werd ze opgeschrikt door gillende sirenes. Het oorverdovende geluid zwol aan vanaf de A12 en naderde haar huis. Het brak binnen in haar wereld, omklemde Nicole, deed haar hart kloppen en haar lichaam zweten. Haar adem stokte in mijn keel. En daar zag ze hem, haar zoon. Liggend op straat, badend in een plas bloed met zijn been in een vreemde kronkel. Bezorgde mensen bogen zich over hem heen. Ambulancebroeders snelden toe met een brancard. Vreemde handen klopten op de zachte huid van zijn gelaat, de wangen die ze zo vaak had gekust. Hij reageerde niet. Zijn teint was angstaanjagend bleek, en zijn huid voelde koel. Nicole wilde schreeuwen, zich losrukken uit de menigte, bij hem komen om op dit noodlottige moment nog zijn zachte huid tegen de hare te voelen. Zijn haar te strelen. Zich hem te herinneren zoals hij ooit was, zoals ze hem kende en hem altijd had willen kennen. Maar misschien kwam ze te laat.

Het gegil was nu dichterbij dan ooit. In allerijl griste Nicole haar fiets uit de berging, sleurde het ding de gang en de deur door. Snel draaide ze de voordeur in het slot. Voortgejaagd door de herfstwind vloog ze de straat door. Zeker wetend dat ze daar, op de drukke weg langs de school, haar zoon zou zien liggen. Misschien was ze nog niet te laat.

Hoop

Er liepen mensen over het trottoir, druk pratend tegen elkaar. Zouden ze geschrokken zijn? Was de ambulance al op weg naar het ziekenhuis? Dan was er misschien nog hoop. Met stokkende adem en knikkende knieën arriveerde Nicole op de bewuste plek. Niets. De straat oogde vreemd normaal, alsof zich niet zojuist een catastrofaal ongeluk had voltrokken. Auto’s reden af en aan, jongeren wachtten op de bus en een oude dame trok een boodschappenkarretje achter zich aan. Plotseling begon het haar te dagen. Joris zat in zijn klas en maakte wiskundesommen.

Eenmaal thuis schonk ze een kop koffie voor zichzelf in; een dubbele espresso voor de verandering. Haar slanke vingers trilden. Wat was er in vredesnaam met haar aan de hand, vroeg ze zich af. Maakte het gruwelijke geluid van die ambulances haar gek, of was de verhuizing haar teveel geworden?

Slordigheid

Die middag keerde Joris terug van school. Op zijn rug een goed gevulde boekentas, maar in zijn hand nog altijd geen sleutel. Zelfs die notoire slordigheid waaraan zij zich ettelijke malen geërgerd had, leek plotseling een vertederende glans te hebben. Nicole drukte een kus op zijn koele wangen. Ze waren zacht als marsepein, en zijn bruine ogen glansden van opwinding. “Mam, ik heb een 20/20 voor mijn wiskundetoets!” riep hij uit. En ja, hij was wel toe aan een beker warme chocolademelk.

Terwijl Nicole ging zitten om de toetsen en agenda’s af te tekenen, begon het haar te dagen dat de wereld tot stilstand was gekomen. Gillende sirenes waren weggestorven achter de daken, en de werkelijkheid was geruisloos teruggevloeid in haar gebruikelijke vorm. Niettemin was één ding veranderd. In een bizarre wereld vol onvoorspelbaarheid waren ze elkaar dichter nabij dan ooit tevoren.

Dit verhaal is geschreven door Kelly Keasberry. Zij schreef dit verhaal in 2015 voor de verhalenwedstrijd van Uitgeverij Mozaïek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *