Onderweg met Ruth – Kruispunt tussen Moab en Bethlehem

12 juli 2020
Delen via:

Daar lopen ze, gedrieën, over de lange, stoffige weg richting het westen. De drie weduwen verlaten de hoogvlakte van Moab en dalen af naar de Jordaanvallei. Noömi, de lieflijke. Ruth, de vriendin of de metgezel. En Orpa, de weerbarstige of de ‘nek’. In het boek Ruth wórden alle hoofdpersonen hun naam. Voor alle drie de vrouwen is de lange tocht naar Bethlehem een moment van de waarheid.

 

Lezen: Ruth 1:7-19

 

Noömi doet haar uiterste best om haar schoondochters te overreden rechtsomkeert te maken. Bij Orpa slaagt ze na twee pogingen. Ik vraag me af hoe Noömi zich hier later over gevoeld heeft. Wat zou ervan geworden zijn als ook Ruth naar haar dringende advies had geluisterd? Had zij zich wel afgevraagd wat Gód in deze situatie wilde?

Toegegeven, naar de mens gesproken hadden Ruth en Orpa niets in Bethlehem te zoeken. Zij zouden daar niet alleen weduwe zijn, maar ook nog eens vreemdeling. Moabitische vluchtelingen. In een samenleving die net van een ernstige hongersnood aan het opkrabbelen was hoefden zij weinig mededogen van de plaatselijke bevolking te verwachten. ‘Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? Zelfs al sliep ik vannacht nog met een man en al bracht ik nog zonen ter wereld – zouden jullie dan wachten tot ze groot zijn?’ Noömi heeft alle hoop verloren. ‘Al zouden Pasen en Pinksteren op één dag vallen’, zegt zij, ‘dan nog zou het voor jullie te laat zijn. Ga alsjeblieft terug.’

Het is voor ons moeilijk te geloven dat God mensen juist via een zware, onwaarschijnlijke weg stuurt om zo zijn genade en liefde in hun leven openbaar te maken. Wij hebben de neiging om vanuit ons beperkte overzicht zoveel mogelijk risico te vermijden en op safe te spelen. Moab leek Noömi de beste optie voor zowel Ruth als Orpa.

Wat Noömi vergat was dat het allerbelangrijkste in Moab ontbrak: de aanbidding van Jahweh, de God van Israël.

Orpa geeft uiteindelijk toe. Onder tranen nemen de vrouwen afscheid van elkaar. Op de kruising van de Jordaanvallei kiest Orpa ervoor om terug te keren naar haar volk én haar god. Iemand schreef hier het volgende gedichtje over:

     Zij heeft de schepen achter zich nog niet verbrand.

                Zij weifelt en weet niet wat ze zal verkiezen.

                Nog gaat ze zwijgend achter d’ andren aan.

                Maar op de tweesprong blijft ze schreiend staan.

                Ze wil voor Kanaän haar Moab niet verliezen.

Orpa kiest ervoor het Beloofde Land niet binnen te trekken. Het vaarwel gaat door merg en been. Maar er zijn momenten in het leven dat we afscheid moeten nemen van mensen die niet met ons mee trekken richting de belofte van God. Er zijn mensen in onze levens die ons kunnen afleiden of afhouden van het bereiken van onze bestemming. Gedurende een bepaalde periode was het goed om met hen om te gaan, maar er komen momenten dat de wegen scheiden. Hoewel het diep kan snijden, moeten we daar niet te rouwig om zijn. Te allen tijde moeten wij vrij blijven om God te kunnen volgen en datgene te doen waarvan wij de innerlijke overtuiging hebben dat het goed is om te doen.

Orpa keert Noömi en Ruth de rug toe en loopt terug naar Kemos, haar god en de Moabieten, haar volk. Zij toont Noömi en Ruth ‘haar nek’. Zij was zo dichtbij een leven onder de zegen en bescherming van God, maar zij bleek weerbarstig tot bekering te komen. Orpa werd haar naam.

Evenzo zullen we Ruth leren kennen als de verpersoonlijking van haar naam. Zij is de ultieme vriendin, de metgezel, die niet bang is om mee te reizen richting het onbekende land. Wanneer Noömi een derde poging waagt om haar overgebleven schoondochter af te schudden legt Ruth haar het zwijgen op. In vijf wondermooie zinnen vertelt zij waarom zij Noömi zal volgen:

Waar u gaat, zal ik gaan.

                Waar u slaapt, zal ik slapen.

                Uw volk is mijn volk.

                Uw God is mijn God.

                Waar u sterft zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden.

De trouw van Ruth zal reiken tot voorbij de dood. Zelfs wanneer Noömi op haar geboortegrond gestorven zal zijn, zal Ruth nóg daar blijven en niet wegtrekken. Het Beloofde Land is haar vaderland. Ruth geeft zich over aan Noömi én aan de God van Israël. Haar gang naar Bethlehem heeft niet alleen te maken met haar liefde voor Noömi, maar meer nog, met haar liefde voor de God van Noömi.

Hoewel de Bijbel hier niet expliciet melding van maakt, had Noömi in Moab blijkbaar van haar God getuigenis gegeven. Ruth was in de God van Israël gaan geloven. Zij wílde wegtrekken van Kemos, zij verlangde naar een leven onder de zegen en bescherming van God. Haar overgave hierin is volkomen. Zoals Abraham zijn thuisland, zijn familie en zijn volk verliet om de roepstem van God te volgen, zo geeft Ruth hier gehoor aan de roep van God in haar hart.

‘Jouw God is mijn God’, zegt zij. En: ‘De Heer, de Ene, is mijn getuige!’ Twee woorden gebruikt Ruth om God aan te duiden. Op deze twee manieren had zij God via Noömi blijkbaar leren kennen. In de zin ‘jouw God is mijn God’, noemt Ruth God ‘Elohim’. Het is een meervoudige aanduiding van God: hij is de drie-enige. Elohim betekent Schepper, Rechter, Koning, Heer. Het duidt op de volheid van kracht die in God is. Díe God van Noömi is ook de God van Ruth geworden. Ruth heeft God leren kennen als de Schepper van hemel en aarde, als de Rechter over alle mensen, als de Koning die heerst op zijn troon en als de Heer aan wie alles onderworpen is.

In de zin waarin zij God ‘de Ene’ noemt, duidt Ruth God aan als Jahweh, de naam waarmee God zich aan Mozes openbaarde bij de brandende braamstruik. Ruth onderwerpt zich aan het oordeel van Jahweh, mocht zij in gebreke blijven tegenover Noömi. Niet alleen heeft Ruth God leren kennen als Schepper, Rechter, Heer en Koning, maar ook als de altijd aanwezige, als de grote IK BEN, als de God die verbonden was met het epos van de bevrijding van het volk Israël uit de slavernij van Egypte. Niet alleen was de kennis van Ruth omtrent God louter theologisch, het was ingebed in de geschiedenis van het volk Israël, waar Noömi – en misschien ook haar man Machlon – haar over hadden verteld. Ruth wil niets liever dan leven in de tegenwoordigheid en onder de heerschappij van die God. Wég met Kemos, op naar een leven met Jehova en Jahweh.

‘Zo gingen zij samen verder’, zegt de Bijbel, ‘tot in Bethlehem.’ De levens van deze beide vrouwen waren vanaf nu voorgoed verbonden met elkaar. Ruth wist tot in het diepst van haar ziel: mijn bestemming is verbonden aan die van Noömi. Er is één ding dat ik moet doen als ik zeker wil weten dat ik goed terecht kom en dat is: heel dicht bij Noömi blijven en daarmee heel dicht bij de God van Noömi blijven.

Soms geeft God mensen in ons leven, waarbij we instinctief weten dat onze bestemming verbonden is met die van hen. Dan beseffen we dat we, wanneer we dichtbij deze persoon blijven, verder, hoger, dieper zullen komen, dan wanneer wij los van hen verder leven. God gaf Ruth aan Noömi, maar evengoed gaf hij Noömi aan Ruth. Noömi zag het nog niet. Als het aan haar had gelegen was Ruth Orpa gevolgd, terug naar Kemos. Het is maar goed dat niet al onze goedbedoelde pogingen om het beste voor andere mensen te zoeken ook slagen. Ondanks de verwoede pogingen van Noömi om Ruth af te schudden, zorgde God ervoor dat zij dichtbij haar schoonmoeder bleef.


Vraag: Zijn er mensen in jouw leven van wie je eigenlijk afscheid zou moeten nemen, zoals Ruth en Noömi van Orpa? Zijn er mensen in jouw leven van wie je wéét dat jouw bestemming verbonden is aan die van hen? Wie is God voor jou?


Gebed: Jehova, mijn Schepper, Rechter, Koning en Heer. Jahweh, de altijd aanwezige, de Bevrijder van mijn ziel. Dank u wel dat ik u mag kennen. Ik wil verder trekken, door dit leven heen, alsmaar dichter naar u toe.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *