Een trommeltje vol herinneringen

1 december 2019
Delen via:

Vandaag begint de adventsperiode.  Een periode waarin we mogen uit kijken naar het kerst. Waar we de komst van Jezus mogen vieren.   Dit doen we bij PUUR! deze maand o.a. met prachtige kerstverhalen, mooie boeken, winactie’s en onze bloggers delen hun kerstgedachten. We kijken uit naar deze maand. Blijven jullie PUUR! volgen?

Een trommeltje vol herinneringen

De zee is van donkerblauw fluweel en de maan werpt een lang, zilveren lint over het golvende landschap. Onder haar voeten dreunt kalmpjes het reuzenschip, achter haar pinkelen duizenden vrolijke lichtjes en af en toe zweeft op een windvlaag gedempte muziek voorbij. In haar hart is een peilloze eenzaamheid, dieper dan de zee. Thuis is het nu vroeg in de ochtend, rekent ze zeven uur verder. Vader staat op de veranda zijn pijpje te roken, moeder is al koffie aan het zetten. Ze verlangt naar huis. Paul slaat op dit moment vast en zeker voor de derde keer zijn wekker uit. Nog even en hij zal uit bed springen, douchen, aankleden, koffiedrinken, de vuilniszak buiten zetten en de deur van de flat achter zich dichttrekken; en dat allemaal binnen tien minuten.
En dan is hij ook nog op tijd op zijn werk. Ze verlangt naar haar ouders, maar weet niet zeker of ze ook naar Paul verlangt. Wat haar bezield heeft om dat contract te tekenen en voor zes maanden de wijde wereld in te varen, weet ze nu nog niet.

Golf Mexico

Ze weet alleen dat ze dreigde te stikken, dat ze gewoon weg moest. Ze zucht en draait zich langzaam om. Ze moet naar haar kajuit en proberen wat te slapen, anders heeft ze morgen geen enkele fut om de passagiers in de watten te leggen. ‘Prachtige avond, ja?’ klinkt in de schemering achter haar ineens de diepe stem met het vreemde accent. ‘Nou, prachtig,’ zegt ze een beetje geschrokken, maar die schrik is meteen over. Het is Florin, de nieuwe scheepsarts uit Roemenië.
Zijn kajuit ligt aan dezelfde gang als die van haar en Kelly. Hij komt een stapje dichterbij. De maan schijnt op zijn dikke, zwarte haar en in zijn donkere ogen. ‘Ook op zoek naar een beetje rust?’ vraagt hij. ‘Ja,’ zegt ze. ‘Het is heerlijk, hier buiten – bijna… magisch.’
Hij knikt, komt naast haar aan de reling staan en staart over de zilveren zee in de verte. Onder hen deint de rustige ademhaling van de Golf van Mexico. ‘Maar je krijgt er wel heimwee van, vind je niet?’ Dat is het enige wat de hele bemanning gemeen heeft. Ze komen van over de hele wereld: uit Italië en Scandinavië, uit
Maleisië en Kroatië, uit Oost-Duitsland, Rusland en Zuid-Afrika– en allemaal hebben ze heimwee.
‘Ja,’ zegt ze. ‘Zeg dat wel.’ Dan draaien ze zich om en gaan naar hun kajuit.

‘Zouden we ooit nog eens tegelijk vrij hebben?’ vraagt Kelly ongeveer een week later. ‘Morgen zijn we op Jamaica, jij hebt de hele dag vrij en ik moet vast de ene manicure na de andere doen. En dat terwijl de gouden stranden en de helderblauwe wateren liggen te lonken…’
Marianne lacht. ‘Volgende keer is het jouw beurt en dan moet ik weer werken,’ zegt ze troostend. ‘Ik denk trouwens dat ik sowieso niet aan land ga. Ik heb zin om de hele dag hier te blijven en lekker een boek te lezen.’ ‘Je bent niet wijs!’ roept Kelly ontsteld. ‘Je hebt pas over tien dagen weer een vrije dag. Het is Jamaica! Ga dat eiland bekijken!’ ‘In je eentje is daar niet veel aan,’ zegt Marianne aarzelend. Hoewel ze al bijna twee maanden op het schip is, heeft ze nog niet
echt vrienden gemaakt.

‘Ik weet dat Richard met nog een stel een waterval gaat beklimmen. Je kunt wel met hen mee,’ beslist Kelly. ‘Je doet gewoon je zwemkleren aan onder je gewone kleren, want ze zeggen dat je er behoorlijk nat van wordt.’ Een waterval beklimmen? denkt Marianne weifelend, als ze de
volgende dag met een paar bemanningsleden en een clubje passagiers in een gammel busje over een weg vol gaten naar de waterval
hobbelt. Het klinkt nogal gevaarlijk. ‘Wat kijk je ernstig,’ zegt Richard die tegenover haar zit. ‘Ik kan niet zo goed tegen hoogtes, en ook niet tegen wild
water,’ begint ze terug te krabbelen. ‘Ik denk niet…’ ‘Bangerik!’ plaagt hij. ‘Daarom zijn Florin en ik juist meegegaan. Als je valt, zullen wij je met alle plezier opvangen.’ Ja, vast en zeker, denkt Marianne met een lachje. Richard is de gangmaker van de groep en degene die de nieuwelingen overal bij
betrekt. Toch is niet hij het, maar Florin, die zijn hand naar haar uitsteekt wanneer ze tegen de natte rotsen opklauteren.
‘Zet je schrap, hoor!’ waarschuwt Marianne. ‘Anders liggen we straks allebei beneden in die poel.’ Hij lacht zijn glanzend witte tanden bloot. ‘Kom nou maar,’
zegt hij en hij houdt haar hand stevig vast. Haar bootschoenen glijden even weg; hij verstevigt zijn greep en trekt haar omhoog tot ze naast hem op de richel staat.

‘Het water is anders niet al te koud,’ zegt ze. ‘Kom,’ zegt hij en hij begint weer te klimmen. De rotswanden worden steeds steiler, de afstand tussen de
steunpunten steeds groter en de poelen waarin het water valt steeds dieper. ‘Je laat me niet vallen, hoor!’ waarschuwt ze een
beetje benauwd. Maar wanneer ze hem weer eens beetpakt en ze samen in een poel tuimelen, merkt ze dat het water alleen maar nat is. Een blik op zijn lachende gezicht vertelt haar dat dit geen ongelukje was. ‘Je hebt ons er expres in laten vallen!’ roept ze. ‘Lekker, hè?’ zegt hij lachend.
‘En als ik nou niet kon zwemmen?’ ‘Dan had ik je gered.’ Nog steeds lachend zwemt hij met krachtige slagen naar de kant. ‘Kom, we zijn bijna boven.’
Weer steekt hij zijn hand naar haar uit. En tegen de achtergrond van die schitterende blauwe waterval op dat zwoele, tropische eiland in de Caribische Zee verliest Marianne haar hart aan een Roemeense arts met donkere ogen en spierwitte tanden.

Heimwee

De e-mails van Paul komen geregeld, bijna even geregeld als die van haar moeder. Nog maar vier maanden, schrijft hij. Ik kan bijna
niet meer wachten. De bomen beginnen hier uit te lopen en de lente hangt in de lucht. Ik verlang naar je. Diep vanbinnen voelt ze een lichte beklemming.
Paul komt regelmatig langs. Ik geloof dat hij je erg mist, schrijft haar moeder. Ik ben eind dit jaar klaar met mijn stage en daarna ga ik pas echt
verdienen,
schrijft Paul. Vader gaat dit weekend met Paul op forellenvangst, schrijft haar moeder. Marianne begrijpt het wel: Paul is de zoon aan het worden die haar vader nooit heeft gekregen. Maar elke avond na het werk staat Florin op haar te wachten. Soms gaan ze een hapje eten in de kantine voor de bemanning,
soms maken ze een wandelingetje op het achterdek of staan ze aan de reling te kijken naar de rustige deining van de zee. Of ze luisteren binnen naar muziek, als het koud en winderig is. En ze praten.

Ze vertelt hem over de uitlopers van de Drakensbergen waartussen ze is opgegroeid, over de groene weilanden die
zich uitstrekken tot aan de horizon en over de bergpieken die in de verte hoog oprijzen tegen de blauwe hemel. Ze vertelt hem over haar vader die koeien houdt en gewassen verbouwt, over het bescheiden winkeltje met huisvlijt dat haar moeder drijft in het dorp. Ze vertelt dat ze op de middelbare school in een internaat moest en later voor haar studie naar Pretoria. Alleen over Paul, die al jarenlang een deel is van haar leven, vertelt ze hem niets.
Tegen Florin kan ze het zeggen, elke keer als ze last heeft van heimwee. Hij begrijpt het. Op zijn beurt vertelt hij haar over zijn land; over zijn moeder,
die weduwe is en haar handen kapot gewerkt heeft om haar drie zoons een goede opleiding te geven. Hij vertelt over de armoede in zijn land, over de eeuwenoude gebouwen die steeds erger in verval raken, over hun feesten en gebruiken. Ze weet precies wanneer hij last heeft van heimwee, ook al zegt hij het niet.
Ze vertelt hem over haar moeilijke klanten en ze lachen samen om de rare portretten onder zijn patiënten. Ze praten over gisteren en vandaag, maar nooit over morgen. Hun wereld is niet groter dan een groot passagiersschip in een zeepbel, die zweeft in een onmetelijk nergens van ruimte en tijd.

‘Ik vind dat we morgen een brommer moeten huren om het eiland te verkennen,’ zegt Florin als ze voor het eerst in twee maanden weer eens een gezamenlijke vrije dag hebben. ‘Grand Turks is maar een klein eiland. In een dag heb je het helemaal gezien, met gemak.’
‘Neem jullie snorkelspullen mee,’ stelt Richard die avond voor. ‘Aan de oostkant van het eiland liggen prachtige koraalriffen.’ ‘Ben je verliefd aan het worden?’ vraagt Kelly als ze vlak voor het naar bed gaan haar lichte, Ierse huid met nachtcrème insmeert. ‘Welnee,’ zegt Marianne. ‘Helemaal niet. Ik heb net nog met
Paul geskypet. Ik mis hem erg en voor hem duren die laatste vijf weken ook veel te lang.’

Het is een stralende, zonnige dag. Het zand is bijna verblindend wit en de zee helder als kristal. Florin helpt met het verstellen van haar helm. ‘Hou je goed vast,’ zegt hij dan en in zijn donkere ogen dansen pretlichtjes. ‘Ik heb altijd coureur willen worden.’ ‘En dat vertel je me nu pas,’ kreunt ze. Ze gaat achter hem zitten en slaat haar armen om zijn gespierde lijf. Ze rijden over smalle weggetjes en door modderplassen. De wind giert om hen heen. Ze stoppen op hoge rotsen en kijken uit over de zee, ze zwemmen in het lui deinende water en laten zich droog bakken in de koesterende zon. Daartussendoor klemt ze zich aan hem vast en drukt ze haar lichaam tegen zijn brede rug. Die avond, wanneer de lichtjes van het eiland alweer ver achter hen liggen en de donkere zee zachtjes klotst onder hun voeten,
zegt hij met zijn vreemde tongval: ‘Ik hou van jou, Marianne.’

De dagen bestaan uit minuten die meedogenloos voorbij tikken. Het handjevol weken vliegt voorbij, de zandloper loopt leeg. Alleen ’s nachts kruipen de donkere uren van seconde naar seconde. Het kan nooit iets worden; we leven in twee verschillende werelden, aan twee verschillende kanten van de aardbol, beseft ze.
Alleen hier, in de sprookjeswereld van deze reuzenboot met de elfenlichtjes en de eilanden in de verte, alleen hier is zij de prinses
en hij de ridder. Hij weet het ook. ‘Ik wou dat ik je kon ontvoeren naar een dicht en donker bos…’ begint hij.
‘En als er dan een wolf komt?’ speelt ze mee. ‘Dan hak ik hem doormidden.’ ‘Je bent toch geen houthakker,’ lacht ze. ‘Je bent dokter.’
‘Dan… snijd ik zijn amandelen eruit.’ Op twintig november verloopt haar contract. Ik heb iets bijzonders voor ons tweeën geregeld, schrijft Paul. Ik kan gewoon niet meer wachten.

Ik zal je nooit vergeten

Stil staan ze naast elkaar op het voordek. De laatste passagiers hebben het schip verlaten. Om hen heen schitteren de nachtelijke lichtjes van Miami in het roerloze water van de haven. ‘Ik wou dat het anders had kunnen zijn,’ zegt ze. Later zitten ze op een bankje. Zijn ene arm is stijf om haar heen. ‘Ik wou dat we er iets op hadden kunnen vinden,’ zegt hij. ‘Als we eenmaal terug zijn in ons echte leven, zullen we beseffen dat het de juiste beslissing was. We hebben geen keus.’ ‘Ik ben bereid naar jouw land te komen. Ik heb op internet gelezen dat er bij jullie een groot tekort aan artsen is. Ik vind vast wel een baan. Dan kunnen we zien of het wat wordt tussen ons. Een soort proeftijd,’ stelt hij hoopvol voor.
Langzaam schudt ze haar hoofd. Ze ziet de afkeurende gezichten van haar ouders en van Paul al voor zich. ‘We komen uit heel verschillende kerken en heel verschillende culturen, Florin,’ zegt ze. ‘We kunnen elkaars taal niet eens verstaan.’ ‘We begrijpen elkaar toch.’ Ze blijft haar hoofd schudden. ‘Het kan niet.’ Hij zucht diep. ‘Ik weet het. Ik zal je nooit vergeten, Marianne.’ Ze knikt zwijgend. Ze weet het en ze begrijpt het ook.
Ergens in de vroege ochtenduren zegt hij: ‘Ik heb nog een cadeautje voor je.’ ‘We hadden toch afgesproken dat we elkaar niets zouden geven, Florin.’
‘Het is maar een kleinigheidje. Wacht hier.’ Hij komt terug met een vierkant pakje. ‘Het is geen ring, hoor,’ zegt hij met een scheef lachje.

Een trommeltje

Voorzichtig pakt ze het uit. Er zit een trommeltje in, zo een waar je losse thee, oorbellen of schuifspeldjes in bewaart. Hij legt zijn hand op het deksel. Zijn vingers zijn lang en slank. Ze doet haar ogen dicht om de tranen tegen te houden. ‘Dit is je herinneringstrommeltje. Je mag het nu nog niet openmaken,’ klinkt zijn lage stem. ‘Toen ik je voor het eerst zag, wist ik meteen dat ik je nooit meer zou vergeten. Dit herinneringstrommeltje is nu nog leeg. Zodra je morgen op het vliegtuig
stapt, doe je er al je herinneringen een voor een in en daarna doe je het deksel er stevig op. Later, heel af en toe, maak je het trommeltje open om het snoer van herinneringen eruit te halen. En dan…’ Hij zwijgt. ‘Ik zal jou ook nooit vergeten, Florin,’ zegt ze.

Op het vliegveld staat alleen Paul te wachten. Ze kijkt hem in zijn blauwe ogen en dan zijn zijn armen al stijf om haar heen. ‘Alle mensen, Marianne, wat heb ik je gemist,’ zegt hij. ‘Ik laat je nooit meer weggaan, als je dat maar weet.’ Ze rijden de Vaalrivier over. Hij vertelt over de baan die hij aangeboden heeft gekregen, maar als zij vertelt over de werkervaring die ze heeft opgedaan, valt hij haar in de rede. ‘Na ons trouwen hoef je anders niet meer te werken.’
‘Maar ik wil graag werken!’ zegt ze. ‘Ik vind het fijn.’ ‘Het is nergens voor nodig,’ zegt hij op een toon die geen tegenspraak duldt.
Door de vlakten van de Vrijstaat rijden ze terug naar Natal. Hij vertelt aan één stuk door over de mogelijkheden die zijn nieuwe baan hem biedt. Ze zou hem graag vertellen over haar terugvlucht en over het lange wachten op Heathrow – alleen niet over de uren die ze huilend op haar krappe vliegtuigstoel heeft doorgebracht – maar ze krijgt de kans niet. Ze rijden de Drakensbergen over en voor hun ogen ontvouwt zich het groene land. Het wordt stil in de auto. Ik zal papa en mama vertellen over de mensen met wie ik maandenlang heb samengewerkt, denkt ze. Alleen niet over die dokter met zijn zwarte ogen en vreemde tongval. Later, misschien, maar nu nog niet.

Thuis wordt ze door alles en iedereen met open armen ontvangen. Over een maand is het Kerst; het zal het mooiste kerstfeest
worden sinds jaren. ‘Hè, wat heerlijk om weer thuis te zijn,’ zegt Marianne en ze doopt nog een lange boerenbeschuit in haar beker boerentroost.
Dan staat Paul op. ‘Ik moet weg. Vanavond haal ik je weer op en dan gaan we samen uit eten.’ Ze fronst haar wenkbrauwen. Ze is doodmoe en ze ruikt nu al
de schapenbout die in de oven staat te sudderen. ‘Ik blijf liever thuis. Waarom kom je niet gewoon hier eten en…’ ‘Ik heb al gereserveerd,’ zegt hij gedecideerd.

‘Ga maar gerust, dan bewaar ik die schapenbout wel voor morgenavond,’ zegt haar moeder vlug. Nadat Paul is vertrokken, komt haar moeder op haar bed zitten
terwijl Marianne uitpakt. Ze praat over koetjes en kalfjes en Marianne luistert afwezig. Als ze het tasje met cadeautjes pakt, zegt ze: ‘Ik heb voor jullie allemaal een cadeautje meegebracht, maar dat krijgen jullie pas met de Kerst. Ik verheug me nu al op papa’s gezicht; ik heb precies het juiste cadeau voor hem.’
‘Maar kind,’ zegt moeder voorzichtig, ‘je bent met Kerst toch niet bij ons?’ ‘Natuurlijk wel!’ zegt Marianne geschrokken. ‘Waar anders?’
‘Heeft Paul dan niets gezegd?’ ‘Nee.’ ‘O. Nou, dan zal hij dat vanavond wel doen.’ Snel verandert moeder van onderwerp. ‘Wat is dat voor trommeltje?’

Marianne kijkt naar het trommeltje tussen de nachtspullen in haar handbagage. Haar vingers strelen voorzichtig het dichte deksel. ‘O, zomaar… een trommeltje van… van een van die eilanden.’ Ze pakt het uit haar tas en duwt het diep weg tussen de sjaals in de onderste la van haar klerenkast.

Een cruise

’s Avonds komt Paul terug om haar op te halen. In zijn lichtgrijze broek en zwarte leren jasje ziet hij er aantrekkelijk uit. Galant doet
hij het portier voor haar open en daarna rijden ze naar een luxueus hotel in de buurt. Het is een zoele, maan verlichte avond. Ze krijgen een speciaal tafeltje toegewezen, in de tuin, een beetje apart van de andere. ‘Zo heb ik je helemaal voor mezelf,’ zegt Paul. ‘Hier kunnen we ongestoord praten.’ Van een gesprek komt echter niet veel. Paul praat, zij luistert. Hij bestelt champagne en ze klinken op hen samen en op zijn nieuwe baan. Hij bestelt een voorgerecht. ‘Wil je rode of witte wijn?’ vraagt hij. ‘Liefst witte.’ ‘Dat past niet echt bij het hoofdgerecht dat ik in gedachten had,’ zegt hij en hij kiest een zware rode wijn.
Met moeite houdt ze haar aandacht bij wat hij vertelt. Het hoofdgerecht smaakt een beetje naar rubber. Ze is doodop en verlangt naar haar bed. ‘Paul, hoe zit het nou met het kerstfeest?’ vraagt ze als hij hun nagerecht bestelt. ‘Ga me nou niet vertellen dat je moeder alweer haar mond voorbijgepraat heeft.’ Er verschijnt een rimpel boven zijn neus.

‘Ze heeft gezegd dat ik met de Kerst niet thuis zal zijn.’ De rimpel blijft. ‘Het moest een verrassing voor je blijven…
Nou ja, dan zal ik het maar vertellen. Ik heb voor ons samen een cruise geboekt, van Durban af langs de oostkust, zeven dagen. En onderweg gaan we ons verloven, op een schip op zee. Ja, daar heb je nou je zogenaamde verrassing, met dank aan je moeder.’ En plotseling, aan dat tafeltje voor twee op het buitenterras van een chic hotel aan de voet van de Drakensbergen, weet ze precies wat haar meer dan zes maanden geleden heeft bezield om aan
boord van een schip te klimmen en weg te varen, het onbekende tegemoet. ‘Ik vier het kerstfeest niet samen met jou, Paul,’ zegt ze flink.
Verbijsterd kijkt hij haar aan. ‘Wat krijgen we…’ Ze hoort de onderdrukte ergernis in zijn stem. ‘En ik ga me ook niet met je verloven. Niet met de Kerst en
daarna ook niet. Wij… we passen niet echt bij elkaar.’ Ze ziet het volslagen ongeloof in zijn ogen. ‘Marianne, ben je…’

‘Breng me alsjeblieft naar huis,’ zegt ze en ze staat op. En dus zijn ze op kerstavond maar met hun vieren: haar vader en moeder, haar zus en zij. Ze steken de kaarsen aan, zingen Stille nacht en halen herinneringen op aan kerstvieringen van lang geleden, toen ze nog klein waren en oma nog leefde en vader nog in het Kerstmannenpak paste. Het is fijn om thuis te zijn. Maar wanneer ze later die avond alleen op haar kamer is, overvalt het verlangen haar toch. Hoe zouden ze in zijn land kerstfeest vieren? Is hij nu bij zijn broers en zijn moeder, of is hij nog in Miami? Zijn contract moet toch ook een keer afgelopen zijn. Ze weet niet eens meer precies hoe hij eruitzag. Zijn ogen, ja, en zijn haren… maar zijn mond? Dan trekt ze de onderste la van haar kast open en haalt het herinneringstrommeltje tussen haar sjaals vandaan. Peinzend haalt ze het dekseltje eraf. Sprongen de herinneringen nu maar tevoorschijn als de geest uit Aladins lamp, om de hele kamer te vullen! Maar in werkelijkheid is het alleen een leeg trommeltje, een sprookje vol onechte dromen.

Ze probeert de herinnering eruit te schudden. Het is maar een klein trommeltje, maar zelfs de allerkleinste herinnering… Er valt een papiertje uit dat op de bodem lag. Het is klein opgevouwen.
Voorzichtig vouwt ze het snippertje open. Ze ziet een nummer staan. Het nummer van een mobiele telefoon. Een hele tijd blijft ze roerloos zitten. Dan beginnen haar vingers als vanzelf te tikken: ‘Ik heb vanavond veel last van mijn hart. Volgens mij heb ik een dokter nodig.’ Een minuut later begint haar mobieltje te piepen. Voorzichtig drukt ze het knopje in en leest wat er staat: ‘Mijn vlucht naar jouw land is al geboekt. Ik hield het ook niet langer uit.’

Verhaal van Irma Joubert | Vertaling: Dorienke de Vries

Dit verhaal komt uit de verhalenbundel ‘De beste kerstverhalen’ 


Irma Joubert schreef prachtige romans. ‘Hildegard‘, ‘Kronkelpad’ en ‘Het meisje in de trein‘.

 ‘Het spoor van liefde’ 

‘Het spoor van de liefde’ van Irma Joubert is de hartverwarmende voorgeschiedenis van Gretls Zuid-Afrikaanse ouders . Een liefdesverhaal dat ontroert en bemoedigt. Johannesburg, begin jaren ’30. Kate Woodroffe is een beschermd leven gewend. Als ze besluit haar studie sociologie af te sluiten met een veldonderzoek onder arme blanke Zuid-Afrikanen, zijn haar ouders niet enthousiast. Kates vader is directeur van een mijn. Hij vraagt aan Bernard Neethling, zijn felste tegenstander bij de vakbond, zijn dochter te begeleiden in de achterbuurten van Johannesburg. Zo hoopt hij dat Kate veilig is en dat hij tegelijk Bernhard voor zijn ideeën kan winnen. Er gebeuren echter hele andere dingen. Kate en Bernard raken hopeloos verliefd – een relatie die vanwege het standsverschil tot mislukken gedoemd is. Irma Joubert schrijft historische romans. Ze was jarenlang docent geschiedenis. Haar romans zijn ongekende bestsellers.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *