Zeeglas van Els Florijn (Vervolgverhaal: deel 15/22)

15 mei 2020
Delen via:

Cecile slaapt. Ze heeft vandaag gekrijst en toen ik vanavond thuis was en haar wilde voeden, trilde ik zo erg dat het niet lukte. Ik kreeg haar niet goed aan de borst, ze leek zo zwaar. Ik heb haar weggelegd en diep in- en uitgeademd tot ik wat rustiger werd. Ze had al zo veel gehuild dat ze alleen nog maar snikte, schorre snikken die haar lijfje lieten schokken. Ik legde haar aan de borst en ze viel na een paar slokjes in slaap. Ik heb haar weggelegd en daarna heb ik me opnieuw gewassen. Ik zie er nog steeds afschuwelijk uit. Ik kreeg de laatste restjes teer er bijna niet af; ik heb mijn huid kapot moeten boenen.

Ze stonden vanmiddag met een grote groep voor de deur. Ze bonkten en schreeuwden dat ik moest opendoen. Ik had het al gehoord – het geluid van de Emmanuelklok draagt ver – en er liep ’s ochtends een aantal jongens luid schreeuwend onder mijn raam door: ‘Leve Parijs! Weg met de vijand! Vrijheid, vrijheid!’

Ik wist dat het gedaan was, dat Parijs bevrijd was.

Ik wil opschrijven wat er gebeurd is, al ben ik moe. Slapen kan ik ook niet. Als ik wakker in mijn bed lig, word ik gek van mijn gedachten.

‘We weten dat je thuis bent!’ schreeuwden ze. ‘We weten dat je er bent. Doe de deur open of wij trappen hem in!’

Ze beukten tegen de deur, die rammelde in het slot. Ik rende door de kamers, niet wetend wat ik moest doen. Cecile sliep. Ik pakte haar uit het bed en wikkelde haar in een dekentje. Ik wist dat ze het zouden doen, de deur intrappen. Ik hoorde het aan hun stemmen. Ik wilde met mijn hoofd hoog hen tegemoet treden, ik hoopte dat ze niets zouden doen als ik Cecile tegen me aan drukte.

Toen ik de deur opende, juichten ze.

‘Mijn kind,’ riep ik, ‘doe mijn kind niets!’

Ik klemde Cecile in mijn armen. Ze werd wakker en begon te huilen.

Even leken ze terug te wijken, toen schreeuwde iemand: ‘Pak dat hoerenkind van haar af!’

Een man trok aan het dekentje, maar ik klemde Cecile nog vaster in mijn armen, ik rechtte mijn rug en ik zei, zo hard als ik kon: ‘Jullie komen voor mij!’

Heel even werd het stiller. Toen riep een vrouw: ‘Blijf van dat kind af!’


    

Meer van Els Florijn

Rode papaver van Els Florijn is een historische roman over de moed van twee verpleegsters in de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op een waargebeurd verhaal.

Bestel dit boek voor €12,50

 

 

 

 

 

 

 


Ik werd beetgepakt en meegetrokken tot ik struikelde, ik viel bijna van de trap af. Het licht buiten was meer dan mijn ogen konden verdragen na dagen halfdonker. Ik werd zo hard voortgeduwd dat ik op mijn knieën op straat viel. Ik bleef Cecile in mijn armen klemmen; daardoor viel ik voorover. Mijn voorhoofd raakte de straatstenen. Cecile begon schreeuwend te huilen. Iemand schopte tegen mijn bovenbenen. Ze trokken me aan mijn haar overeind. Mijn knie bloedde en daar lachten ze om.

Ik werd meegetrokken naar een plein. Daar liep ik tegen een muur van geschreeuw en gelach aan. Ze duwden me bij een groepje andere vrouwen. Er stond een stoel en daar zat een vrouw op, een man knipte lange lokken haar af. Laat me leven, God, bad ik, laat me leven voor mijn kind.

Ik duwde Cecile tegen mijn borst. Naast mij stond een jong meisje, zestien misschien, ouder niet. Ze stond met haar hoofd gebogen en ik zag de tranen van haar wangen vallen. Een oudere vrouw stond aan mijn andere kant. Een van de jonge mannen greep naar haar borsten en ze sloeg zijn hand weg. Hij lachte, pakte de mouw van haar blouse beet en scheurde die met een ruk kapot.

‘Volgende!’ schreeuwde de man met de schaar en het jonge meisje naast me werd naar voren geduwd. Ze zetten haar op de stoel en hielden haar vast. Een man legde zijn handen om haar nek om haar hoofd stil te houden.

‘Waar is je Duitse vriendje nu?’ hoorde ik iemand roepen.

Een man schreeuwde en vloekte en rende naar de stoel toe. Hij wilde de mannen aan de kant duwen, maar hij werd beetgepakt. ‘Blijf van mijn dochter af, vieze smeerlappen!’ schreeuwde hij en hij vocht om los te komen. Maar er kwamen meer mannen helpen en hij werd tierend afgevoerd. Het lange, donkere haar van het meisje viel in plukken op de grond. Iemand schilderde een hakenkruis op haar voorhoofd. Druppels verf dropen naar beneden. Al die tijd bleef ze huilen; ze wreef zich als een klein kind met beide handen over haar gezicht, waardoor ze de teer uitsmeerde.

‘Volgende!’

Ze trokken me mee, ze duwden me neer. Cecile krijste en sloeg met haar armpjes. Dat woud van vijandige gezichten voor me, de spot, het gefluit en gejoel. Ik kokhalsde, maar slikte de zure drab uit mijn maag weer door. Stilzitten, dacht ik, dan is het zo voorbij. Het is zo voorbij. Niet te hooghartig kijken, ook niet te onderdanig. Houd je zo stil mogelijk.

Ik boog mijn gezicht naar Cecile. Er werd met geweld aan mijn haar getrokken en de schaar beet zich vast. Ik hoorde tot binnen in mijn hoofd het geluid van het afknippen van mijn haar. Pijn vlijmde door me heen toen de punten mijn hoofdhuid scheurden. Ik wilde niet schreeuwen, niet jammeren. Wees stil, wees stil, dacht ik, en ik neuriede voor Cecile en voor mezelf.

Mijn hoofd voelde leeg en koud aan, en veel lichter dan ik gewend was. Ik stelde me voor dat ik zo licht werd dat ik zou opstijgen, ze zouden naar me grijpen en schreeuwen, maar niemand zou bij me kunnen komen. Omhoog en omhoog zou ik gaan – Cecile in mijn armen – zo hoog tot ze mij niet meer konden zien.

De ogen van de man die het hakenkruis verfde, waren dicht bij de mijne. Ik keek hem aan, maar hij meed mijn blik. Ik bedwong de neiging om de verf op mijn voorhoofd uit te smeren.

‘Volgende!’

Ik werd teruggeduwd in de rij vrouwen. De oudere vrouw die naast me stond was aan de beurt. Ze liep moeilijk, maar werd zonder pardon voortgeduwd. Ze schreeuwde en tierde, ze riep dat ze onschuldig was, dat ze een fout maakten, dat ze nooit iets met een Duitser had gehad, ze hadden het fout. Dat bleef ze maar roepen. ‘Het is een fout, het is een fout! Ga maar kijken in mijn huis, ik heb Joden verborgen, ik had alleen een dekmantel nodig!’

Ze zag er zo wanhopig uit en ze verzette zich zo hevig dat de twee mannen die haar waren komen halen even de grip op haar verloren. Ze wilde wegrennen, maar kwam niet ver. Ze sloeg om zich heen en aan alle kanten werd ze door mannen vastgegrepen. Ze scheurden haar kleren, ze scheurden haar onderjurk. De joelende menigte trok zich er niets van aan dat ze  hysterisch gilde; joelend werd ze naar de stoel gedragen. Vier mannen waren nodig om haar in bedwang te houden. Haar haar werd met grof geweld geknipt. Ze schilderden een hakenkruis op haar voorhoofd en ook een boven haar borsten.

Toen ze weer naast me stond, jammerde ze zachtjes en onophoudelijk.

Iemand had een auto met een laadbak gehaald en daar moesten we op klimmen. Het lukte me bijna niet omdat ik maar een hand had om me op te trekken. Ik wilde Cecile niet aan iemand anders geven. Een van de mannen greep me zo stevig om mijn heupen dat het zeer deed en tilde me lachend omhoog. Mijn rok scheurde. Ik lijk de afdruk van zijn vingers nog te voelen.

De vrouw naast me kreeg een bord in handen geduwd dat ze voor zich moest houden. Ik stond tegen de reling van de laadbak. Met mij erbij waren er acht vrouwen, met kale hoofden en hakenkruizen op hun gezicht. Cecile gilde van het huilen en het was dat geluid waardoor ik het bijna niet meer volhield om met mijn hoofd omhoog te blijven staan.

Toen de auto begon te rijden, klemde ik haar stevig tegen me aan en liet haar op mijn pink zuigen. Langzaam werd ze wat rustiger.

De auto hotste en schokte door de kuilen. Er werden dingen naar ons gegooid. Ik staarde voor me uit, maakte mijn blik wazig om al die vijandige gezichten niet te zien en probeerde me zo ver mogelijk in mezelf terug te trekken. Het hielp. Ik kan me van de rit verder bijna niets meer herinneren.

In het vierde arrondissement moesten we uitstappen. Ook hier waren veel mensen om ons heen, we werden voortgeduwd door de mannen die achter ons liepen. Het plein voor de Notre Dame was volgestroomd, zelfs op het puin en op de beschadigde resten van de kerk stonden mensen.

Er werd gespuugd op mijn kleren, op mijn gezicht. Speeksel droop van mijn wangen. Cecile huilde opnieuw.

Ik kan me niet meer herinneren of ik het idee kreeg, of dat het gewoon gebeurde. Naast me was een smal steegje en ik sprong opzij en toen begon ik te rennen.

Iemand schreeuwde: ‘Haal haar terug!’

Dit is het eerste deel van het vervolgverhaal Zeeglas, geschreven door Els Florijn.

Dit vervolgverhaal bestaat uit 22 delen, waarvan dit het vijftiende deel is. Elke dag zal er een nieuw deel geplaatst worden, het volledige overzicht van de delen vindt u hier.


   Meer van Els Florijn

Ditte Stein wordt geboren op de dag dat Nederland capituleert. Als het gezin Stein in 1943 bericht krijgt dat ze zich in kamp Vught moeten melden, besluiten ze onder te duiken – zonder Ditte. Ditte wordt meegenomen door de huishoudster, in de hoop dat de sd het kleine meisje met rust zal laten. Maar het ondenkbare blijkt mogelijk: door toedoen van de burgemeester wordt Ditte anderhalve week later al opgehaald en helemaal alleen op transport gezet naar Auschwitz.

Bestel dit boek voor €10,00

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *