Zeeglas van Els Florijn (Vervolgverhaal: deel 17/22)

17 mei 2020
Delen via:

1944

Ik rende een hoek om en zag een kleine deur op een kier staan, duwde hem verder open. Ik glipte erdoor en leunde er tegenaan. Er viel een stilte om me heen, waarin ik mezelf zwaar hoorde hijgen. Cecile was stil. Ik sloeg het dekentje van haar gezicht weg en zag haar naar me kijken, haar gezichtje rood en gezwollen. Ze hikte en vertrok haar mondje alsof ze weer wilde gaan huilen, maar ik hief haar hoger en liet haar weer op mijn pink sabbelen, probeerde haar zenuwachtig te sussen met mijn fluisterstem.

Ik kon niet meer blijven staan, zakte langs de deur naar beneden, dansende gele vlekken voor mijn ogen. Ik zuchtte om mijn hart weer tot bedaren te brengen.

Ik was in een kleine kapel. Voor mij stond een tafel met daarop twee brandende kaarsen.

Toen zag ik de man pas. Hij stond in een hoek en staarde me verbaasd aan.

‘Het spijt me,’ fluisterde ik, en ik begon te huilen.

Hij deed een paar grote stappen naar me toe, en ik hief afwerend een hand op, maar hij reikte langs me heen naar de sleutel en draaide die om.

‘Kom maar mee,’ zei hij, en hij greep mijn arm om me overeind te helpen. Hij ging me voor, een andere deur door, en ik kwam in een zijkamertje. Hij gebaarde naar een stoel. Ik ging zitten. Hij verdween en kwam even later terug met een beker koud water, keek toe terwijl ik dronk. Ik bekeek hem wat beter. Het was al een oude man, klein en gedrongen, met een donker, getaand gezicht en heldere bruine ogen boven een scherpe neus.

Cecile begon weer te jammeren.

‘Ik moet mijn kind voeden,’ zei ik schor. ‘Het spijt me, ik moet echt mijn kind voeden.’

‘Het geeft niet,’ zei hij, ‘doe maar, ik help je wel. Geef haar maar even aan mij.’

Hij nam de beker uit mijn hand en zette die op de grond, toen pakte hij Cecile van mijn schoot en hield haar in zijn armen. Hij wiegde haar, streek met een vinger over haar voorhoofd. Cecile werd stil.

Ik knoopte onhandig mijn jurk los, proberend mezelf zo goed mogelijk te bedekken, stak toen mijn handen uit om Cecile weer aan te nemen. Hij legde haar voorzichtig in mijn armen en ging naast me zitten terwijl ze dronk. Vreemd genoeg voelde ik me niet opgelaten, ondanks dat hij naar me keek.

Al drinkend viel Cecile in slaap. Ik maakte haar mondje los van mijn borst, legde haar tegen mijn schouder aan. Ze boerde en krulde zich in mijn arm op, slapend, haar lippen getuit en met een veegje melk op haar wang.

Zonder iets te zeggen nam hij haar van mijn schouder, liet me mijn kleren ordenen en gaf haar toen weer terug.

‘Waar woon je?’ vroeg hij.

‘Het negende arrondissement, vlak bij de Opera.’

‘We wachten tot het donker is, dan breng ik je er heen. Ik heb wel een mantel die je om kunt slaan.’

‘Wie bent u?’ vroeg ik, maar hij gaf geen antwoord.

‘Je ziet er moe uit,’ zei hij toen, na een korte stilte. ‘Kom maar, rust maar even.’

Hij ging me voor door een deur die uitkwam in een sober gemeubileerd huis. Een krakende trap voerde naar een even spaarzaam ingerichte slaapkamer. Er stond een keurig opgemaakt bed.

‘Rust maar even,’ zei hij weer en hij keek toe toen ik ging liggen, Cecile slapend in de boog van mijn arm. Ik deed mijn ogen dicht en ben in slaap gevallen.

Het eerste wat ik me herinner van toen ik wakker werd, is dat mijn hoofd zo raar aanvoelde. Nog slaperig streek ik met mijn hand over mijn achterhoofd; ik voelde stoppels en korsten. Mijn voorhoofd voelde strak aan, alsof ik modder op mijn gezicht had die opgedroogd was.

Cecile sliep nog. Toen ik opstond, werd ze wakker en ik legde haar weer aan mijn borst. Daarna ging ik naar beneden.

De man die me geholpen had, stond op uit zijn stoel toen ik beneden kwam.

‘Ben je wat uitgerust?’ vroeg hij. ‘Ik zal wat eten voor je maken.’

Hij gebaarde naar de tafel. Ik ging zitten en keek naar hem, hoe hij brood sneed en rangschikte op een bord. Hij zette een schaaltje olijfolie voor me neer en een beker wijn.

‘Eet maar, drink maar,’ zei hij. ‘Geef mij je kind maar even.’

Ik gaf hem Cecile, dronk de wijn, doopte het brood in de olijfolie en at tot ik vol zat. Hij zat bij me aan tafel, zijn handen gevouwen voor zich, en hij zweeg en keek toe terwijl ik at en dronk.

‘Misschien wil je je even wassen?’ vroeg hij, toen het bord leeg was.

‘Graag.’

Hij stond op om een kom water, een stukje zeep en schone doeken te halen.

‘U hoeft dit niet te doen,’ zei ik. ‘U hoeft dit niet voor mij te doen. Ik begrijp het als u mij niet verder wilt helpen. Echt, ik begrijp het.’

Hij draaide zich niet om, maar ik zag dat hij zijn handen even liet rusten. Toen zei hij: ‘Dat wat ik voor de zijnen heb gedaan, heb ik voor Hem gedaan. Kom, probeer je maar te wassen. Het zal er wel niet helemaal af gaan, maar voor een gedeelte toch wel.’

Ik doopte de doeken in het water en boende mijn voorhoofd. Dat hielp weinig. Ik maakte mijn vingers nat en probeerde de teer van mijn gezicht te trekken. Er lieten een paar stukken los, en de rest liet ik maar zitten. Thuis, zittend aan mijn kaptafel, zou ik de rest eraf halen.


Dit vervolgverhaal bestaat uit 22 delen, waarvan dit het zeventiende deel is. Elke dag zal er een nieuw deel geplaatst worden, het volledige overzicht van de delen vindt u hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *