Zeeglas van Els Florijn (Vervolgverhaal: deel 18/22)

18 mei 2020
Delen via:

Ik vouw de krant voorzichtig dicht en leg hem met de foto van mijn grootmoeder en haar ouders, het overlijdensbericht en het briefje van grootmoeder op de dagboeken, stop dan de stapel in mijn tas. De rits wil niet meer dicht.

Ik leg de rest van de papieren terug in de kaptafella, doe hem weer op slot en berg het sleuteltje op in de rechthoekige houten doos. Voor vandaag heb ik hier niets meer te zoeken, maar toch draal ik op de drempel.

Doe het goede, Julie. Ik weet wel wat ze wil.

 

Ik heb thuis gewoond tot ik vijfentwintig was. Toen studeerde ik af en kreeg ik een mooie baan. Ik hield van mijn werk. Voor het eerst had ik werkelijk goede gesprekken met mijn moeder, leek ze heel voorzichtig iets meer van zichzelf prijs te willen geven, alsof ik er meer toe deed nu ik mijn studie had afgerond en werkte. Ik had mijn eigen ruime kamer boven, die ik had ingericht naar mijn eigen smaak, en ik mocht de grootste leegstaande slaapkamer hebben om daar mijn werkplek van te maken. Van mijn eerst verdiende geld kocht ik een antiek Engels cilinderbureau, met bijpassende stoel, bekleed met rozerood fluweel. Het was zo anders dan mijn moeders minimale inrichting, en het was voor mij een verademing om na het eten werkelijk thuis te komen in mijn eigen kamer, aan mijn eigen bureau te zitten en te schrijven, in mijn dagboek, of aan de verhalen voor kinderen die ik schreef voor een tijdschrift.

Als mijn moeder geen oorontsteking had gekregen, zou ik misschien nu nog thuis wonen. Maar die kreeg ze wel, een gemene, dubbele ontsteking die telkens terugkwam en haar het werken onmogelijk maakte. Ze had hevige aanvallen van duizeligheid en lag veel op bed. Ik moest op de slechtste dagen tegen haar schreeuwen om me verstaanbaar te maken, zo doof was ze. Antibiotica hielp maar kort: nadat de kuur was afgelopen, begonnen de ontstekingen opnieuw. Ze werd mager en snauwerig van de pijn. Ze liep ziekenhuis in, ziekenhuis uit, maar niets leek te helpen. Tot iemand haar een kruidenmengsel aanraadde – iets met goudsbloem, zonnehoed en lavendel – dat ze moest vermengen met pure alcohol en in haar oren druppelen. Langzaamaan ging het daarna beter, maar ze bleef nog lang te doof om les te kunnen geven.

Ik was die dag wel naar mijn werk gegaan, maar het was een van de eerste lentedagen en de zon was prettig warm. Er lag een lome rust over de straten en in een opwelling besloot ik een wandeling te gaan maken, niet langs de slikken en schorren, zoals mijn moeder zo graag deed, maar door de stad waar ik werkte. Ik liet weten dat ik een dag vrij nam en liep door de straten, mijn jas om mijn middel geknoopt, de mouwen van mijn blouse opgerold. Ergens bij een lunchroom stonden al tafeltjes buiten en ik at een warm broodje met mozzarella, basilicum en tomaat en toen ging ik naar huis.

Ik weet zeker dat ze me niet hoorde. Ik deed zo zachtjes mogelijk, omdat ik dacht dat ze misschien sliep. Even keek ik in de kamer, maar daar was ze niet. Toen liep ik naar boven. Ik duwde de deur van mijn werkkamer open en daar stond ze.

Ik wilde iets zeggen, maar toen zag ik iets wat ik nooit eerder had gezien: ze bloosde. En daarna zag ik wat ze in haar handen had. Het kastje waar ik mijn dagboeken bewaarde, stond open en ik zag de schriften liggen die ik in de loop van de jaren had volgeschreven. Ze had het bovenste schrift van de stapel open in haar handen. Ik zag de sleutel uit het slot steken, de sleutel die ik altijd zorgvuldig opborg in een doosje in een van mijn laden, bijna onherkenbaar onder paperclips en punaises.

Niet onherkenbaar genoeg.

Het voelde alsof mijn kleren van me af vielen. Mijn dagboek. Ze las mijn dagboek! En niet alleen dit, ook de dagboeken hiervoor had ze gelezen; dat wist ik zeker op het moment dat ik haar zag.

Al die dagboeken, waar ik aan toevertrouwde wat van mij was, al mijn geheimen.

Ik werd misselijk en slikte en slikte.

We stonden dwaas tegenover elkaar, en toen deed ze voorzichtig mijn dagboek dicht, legde het terug en deed het deurtje op slot. Ze stond daar met de sleutel in haar hand en daar keken we allebei naar. Ze legde hem op het bureau.

De woede die door me heen sloeg, deed mijn huid tintelen. Ze was bijna net zo sterk als mijn schaamte, maar de schaamte won. Dus zei ik niets en bleven we tegenover elkaar staan.

De kleur was uit haar gezicht verdwenen, alsof ze nooit had gebloosd, en ze keek me aan.

‘Ik moest dit wel doen. Je bent zo gesloten. Ik moest weten wat er in je omging,’ zei ze zachtjes.

Toen liep ze langs me heen en sloot de deur achter zich.


    

Meer van Els Florijn

Rode papaver van Els Florijn is een historische roman over de moed van twee verpleegsters in de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op een waargebeurd verhaal.

Bestel dit boek voor €12,50

 

 

 

 

 

 


Ik kwam die avond niet meer beneden. Ik ging vroeg naar bed en lag als een klein kind te huilen met mijn gezicht in het kussen, woedend en zo vernederd. Dat ze het allemaal had gelezen. En allemaal had geweten. Al die jaren. Ongetwijfeld. Al die jaren.

Ik fluisterde de vreselijkste scheldwoorden die ik kon bedenken voor me uit, kneep mezelf omdat ik haar pijn wilde doen, en tegelijk wist ik dat ik de woede die ik voelde nooit zou kunnen uiten. Die zou zich opsluiten in mijn lijf, ze zou ingekapseld worden en misschien met de jaren slijten, maar ze zou nooit verdwijnen. Ik zou niet tegen haar kunnen zeggen hoezeer ze mij hiermee had gekwetst; ik zou niet weten waar ik de woorden vandaan zou moeten halen om dat te zeggen.

De volgende dag meldde ik me ziek en bleef in bed liggen tot lunchtijd. Die middag ging ik naar een makelaar. Ik vroeg of hij iets voor me wist voor een acceptabele huurprijs, het maakte niet uit waar; als het maar niet te ver bij mijn werk vandaan was.

In de twee dagen voor hij terugbelde, kwam ik mijn moeder maar af en toe tegen in ons huis. Ik zei niets, en zij zei niets, hoewel ze er wel uitzag alsof ze wat wilde zeggen.

Op een van de avonden die ik eenzaam op mijn kamer doorbracht, hoorde ik haar tot mijn verbazing laat in de avond pianospelen. Ik herkende het gedeelte onmiddellijk. Het was een van haar favoriete stukken, een virtuoos stuk van Czerny, opus 299, muziek die ze vroeger vaak voor mij speelde. Als klein kind volgde ik gefascineerd haar dansende vingers over de toetsten en wenste dat ik zo kon spelen. ‘Nog een keer, nog een keer!’ riep ik als ze klaar was en dan speelde ze het nog een keer, dansende, rollende, schaterlachende tonen die leken op te springen tegen de muren.

In het begin leken de tonen te zoekend, te onecht, maar ze speelde het nog een keer en nog een keer en meer en meer ging ik terug in de tijd, zag ik mezelf als klein meisje. Ik kreeg een nieuwe jurk, een gele, omdat ik zo van die kleur hield. Ik hield haar hand vast terwijl we boodschappen deden. Ze gaf me straf. Ze streelde mijn haar. Ze bracht me bij grootmoeder als ze een conferentie had. Al die herinneringen.

Ze doet dit om mij te kwetsen, dacht ik even.

Maar zo klonk het niet, want hoewel de tonen in een opzwepend tempo om elkaar heen dansten, leek er iets droevigs te huizen in de muziek, iets waarvan ik me niet herinnerde dat ik dat eerder had gehoord.

Ik sloop zachtjes naar de overloop. Ik hoefde maar een paar treden de trap af te lopen om haar op haar rug te zien. Die glanzend witte vleugel, en mijn moeder zo frêle en tenger, haar vingers die de toetsen amper leken te raken. Ze hield haar hoofd scheef. Hoe vrolijk de klanken ook waren, ze liet de muziek huilen. De noten leken haar tranen, ze vloeiden uit haar vingers. Ze speelde afscheid. Ze speelde verdriet.

Even aarzelde ik, of ik wel werkelijk weg zou gaan, maar toen herinnerde ik me haar, staand met mijn dagboek in haar handen, en het gevoel van pijn en vernedering verdrong mijn medelijden. Ik sloop zachtjes de paar treden terug.

Nog geen twee weken later verhuisde ik. Mijn moeder keek toe terwijl de verhuizers mijn bureau en mijn bed en mijn kasten naar beneden tilden.

Ik ging bij haar weg zonder nog iets tegen haar te zeggen.

Ik reed achter de verhuiswagen aan, mijn auto volgepropt met dingen die ik in de eerste dagen nodig dacht te hebben. Ik zag, terwijl ik van de oprijlaan reed, in mijn achteruitkijkspiegel hoe ze mij nakeek, ik zag hoe ze zich omdraaide en nog net voor ik de bocht omging, zag ik hoe ze dat grote, stille huis binnenliep.

Dit is het achtiende deel van het vervolgverhaal Zeeglas, geschreven door Els Florijn.

Dit vervolgverhaal bestaat uit 22 delen, waarvan dit het achtiende deel is. Elke dag zal er een nieuw deel geplaatst worden, het volledige overzicht van de delen vindt u hier.

 


   Meer van Els Florijn

Ditte Stein wordt geboren op de dag dat Nederland capituleert. Als het gezin Stein in 1943 bericht krijgt dat ze zich in kamp Vught moeten melden, besluiten ze onder te duiken – zonder Ditte. Ditte wordt meegenomen door de huishoudster, in de hoop dat de sd het kleine meisje met rust zal laten. Maar het ondenkbare blijkt mogelijk: door toedoen van de burgemeester wordt Ditte anderhalve week later al opgehaald en helemaal alleen op transport gezet naar Auschwitz.

Bestel dit boek voor €10,00

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *