Zeeglas van Els Florijn (Vervolgverhaal: deel 19/22)

19 mei 2020
Delen via:

1944

Ik durf de deur niet meer uit. Mijn kleren zijn los gaan zitten. Ik heb nauwelijks voeding voor Cecile. Maria heeft mijn bonnen gehaald en is voor mij naar de winkels gegaan. Haar gezicht was strak en ze zei bijna niets tegen me, maar ze hielp me toch. Dank God voor Maria.

Vandaag kreeg ik bezoek van een man die ik niet kende. Hij klopte op de deur. Hij stond al op het punt van weggaan toen ik eindelijk opendeed. Ik ben bang geworden.

Ik had een groene sjaal om mijn hoofd gewikkeld, die ik met mijn hand vasthield. Ik vroeg hem niet binnen.

Het was een kleine man met een breed, vuurrood litteken over zijn voorhoofd. Hij vertelde me dat hij krijgsgevangen was gemaakt, en samen met Louis in een barak had gezeten. Hij was naar Parijs terug komen lopen.

‘Waar is Louis?’ vroeg ik hem. Eigenlijk wist ik het antwoord al.

Hij keek naar de groene sjaal en aan zijn ogen zag ik dat hij meer van me wist – of ik dacht in ieder geval dat ik dat zag. In de kamer begon Cecile te huilen.

‘Het laatste wat ik van Louis weet, is dat hij naar de ziekenbarak ging,’ vertelde hij. ‘Hij was ernstig ziek. Hij werd naar de speciale barak gebracht, buiten het kamp.’

Wat dat voor speciale barak was, kon ik wel raden.

‘Hij was echt heel ziek. Ze hebben hem daar achtergelaten om te sterven, mevrouw,’ zei hij.

Ik wilde dat hij het maar gewoon zou zeggen, recht in mijn gezicht. Louis is dood.

‘Weet je waar hij begraven is?’

‘Ik weet verder niets meer. Louis wist me nog een briefje te geven met dit adres en hij vroeg me om het aan u te vertellen. Ik kan u geen hoop geven, mevrouw, het spijt me.’

Ik keek naar zijn gezicht, bleek en ingevallen. Zijn ogen waren groot en keken vreemd; het was alsof hij door me heen terugkeek naar wat hij had meegemaakt. Ik kon de verwoesting in zijn blik zien.

‘Dank u wel,’ zei ik, en ik wist dat ik nog wat moest vragen, of Louis weleens wat over mij vertelde, over hoe het geweest was, maar ik kon niets zeggen. Ik was bang dat ik zou gaan huilen en dan zou ik mijn groene sjaal misschien moeten loslaten.

‘Dank u wel,’ zei ik opnieuw, en hij bleef staan alsof hij nog wat wilde zeggen, maar hij zei niets, stak alleen maar zijn hand uit.

Ik legde mijn hand in de zijne. Toen draaide hij zich om, en nog voor hij bij de trap was, had ik de deur al dichtgedaan. Ik heb een tijd tegen de deur geleund gestaan. De tranen waar ik daarvoor nog bang was geweest, kwamen niet. Ik luisterde naar Cecile, die steeds harder ging huilen. Op dat moment wist ik zeker dat ik weg zal gaan. Niets houdt mij meer hier. Niets. Ik ben ongewenst, deze stad haat mij, zelfs mijn appartement lijkt vijandig. Ik neem Cecile mee en ik ga weg.

Ik ga weg.


   Meer van Els Florijn

Ditte Stein wordt geboren op de dag dat Nederland capituleert. Als het gezin Stein in 1943 bericht krijgt dat ze zich in kamp Vught moeten melden, besluiten ze onder te duiken – zonder Ditte. Ditte wordt meegenomen door de huishoudster, in de hoop dat de sd het kleine meisje met rust zal laten. Maar het ondenkbare blijkt mogelijk: door toedoen van de burgemeester wordt Ditte anderhalve week later al opgehaald en helemaal alleen op transport gezet naar Auschwitz.

Bestel dit boek voor €10,00

 

 

 

 


 

Dit vervolgverhaal bestaat uit 22 delen, waarvan dit het negentiende deel is. Elke dag zal er een nieuw deel geplaatst worden, het volledige overzicht van de delen vindt u hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *