Zeeglas van Els Florijn (Vervolgverhaal: deel 20/22)

20 mei 2020
Delen via:

Ik doe de deur op slot en blijf even doelloos staan met de sleutel in mijn hand. Het licht hier in het trapportaal is hard en fel vergeleken met het door stof gefilterde avondlicht in het appartement. Ik doe de sleutel in mijn portemonnee en blijf even onwennig staan.

Overal zijn de straatlantaarns aangegaan. Ik toets het adres van het hotel in op mijn telefoon en laat me door een blikkerige vrouwenstem door Parijs loodsen.

Op mijn hotelkamer gooi ik mijn kleren uit en laat in de douche de warme, scherpe straal het stof van me af spoelen. Ik was mijn haren twee keer en wrijf me in met rozenolie om de bedorven, ranzige lucht die over mijn huid lijkt te liggen weg te krijgen.

Ik heb geen honger meer, maar dwing mezelf wat crackers te eten. Ik neem twee pijnstillers en spoel ze weg met grote slokken water. Dan doe ik mijn pyjama aan en leg de dagboeken en de documenten die ik vandaag heb meegenomen naast me op bed. Ik pak het dagboek vanaf 1948, blader het door. Er staat lang niet zoveel in als in het andere dagboek; meer dan de helft is leeg. Al lezend merk ik, hoewel er geen maand- of jaaraanduiding boven de stukjes staat, dat er soms maanden niet geschreven is. Af en toe wordt de leeftijd van Cecile genoemd; zo kom ik erachter dat er in het jaar 1949 niet meer dan drie korte aantekeningen zijn gemaakt.

Ik had gehoopt dat er meer over Franz in zou staan. Maar al wordt zijn naam een paar keer genoemd, ik word van wat er over hem staat niet veel wijzer.

Ik wil het dagboek al dichtslaan, als ik me de foto’s herinner die ik er in had zien liggen toen ik bij de notaris was.

Het zijn er twee. Ze zijn een beetje aan elkaar gekleefd en als ik ze lostrek, blijft er op de onderste een witte vlek achter.

De bovenste foto is duidelijk van een soldaat. Ik bekijk het gezicht nauwkeurig, probeer er iets bekends in te ontdekken, maar ik vind niets. Het is gewoon een foto van lang geleden, van een jonge man met een prettig, open gezicht, maar meer ook niet.

Op de achterkant staat: Pour l’amour de ma vie, Franz, 1943.

Gek genoeg raken die robuuste letters mij meer dan het onbekende gezicht, alsof mijn opa meer vorm krijgt in wat hij ooit schreef dan in de opgeprikte foto.

De andere foto is van een grote groep mannen in uniform. Ik moet lang zoeken voor ik meen Franz te herkennen, en dan nog kan ik niet met zekerheid zeggen dat ik het goed heb. Misschien stond hij wel net onder het stukje foto dat nu aan het karton van de andere foto kleeft.

Op de tweede foto staat achterop: 12e pantserdivisie.

Dat is alles. Meer zit er niet in het dagboek. Ik wil weten wat er met hem is gebeurd; ik lees er zelfs de laatste dagboekaantekening nauwkeurig op na, omdat daar zijn naam wordt genoemd, maar ik maak er opnieuw niets uit op. Wie zou me hierbij kunnen helpen? Het moet uit te zoeken zijn wat er met hem is gebeurd. Ongetwijfeld heeft grootmoeder dat gedaan. Misschien mijn moeder ook wel. Nu is het mijn beurt.

Ik type de naam Franz Walser in op Facebook. Ik krijg een aantal personen die zo heten, maar als ik de gezichten goed bekijk, vind ik niets bekends.

De enige die ik zo gauw kan bedenken om me hiermee verder op weg te helpen, is de notaris.

Ik kijk op mijn wekker. Half elf. Het is wel laat, maar ik kan het proberen.

Ik toets het nummer en hoor de telefoon zoemend overgaan aan de andere kant. Een klik; even verwacht ik de voicemail te krijgen, maar dan gaat de telefoon opnieuw over, nu met een andere toon.

‘Ja, zegt u het maar?’

Misschien verbeeld ik het me, maar zijn stem lijkt wat kregelig te klinken. Ik hoor gelach en gepraat op de achtergrond.


   Meer van Els Florijn

Ditte Stein wordt geboren op de dag dat Nederland capituleert. Als het gezin Stein in 1943 bericht krijgt dat ze zich in kamp Vught moeten melden, besluiten ze onder te duiken – zonder Ditte. Ditte wordt meegenomen door de huishoudster, in de hoop dat de sd het kleine meisje met rust zal laten. Maar het ondenkbare blijkt mogelijk: door toedoen van de burgemeester wordt Ditte anderhalve week later al opgehaald en helemaal alleen op transport gezet naar Auschwitz.

Bestel dit boek voor €10,00

 


 

Had ik van tevoren maar bedacht wat ik wilde zeggen… Nu noem ik mijn naam en daarna weet ik niet hoe ik moet beginnen.

‘Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘U weet ongetwijfeld hoe ik aan informatie moet komen over een persoon die ik zoek.’

Wat klinkt dat knullig. Hij zwijgt.

Ik doe een nieuwe poging.

‘Ik ben op zoek naar een persoon, maar weet niet of hij nog leeft. Ik wilde vragen of u mij kunt helpen aan informatie. Ik dacht: u bent wel vaker op zoek naar personen. Schakelt u daar iemand voor in of…’

‘Misschien kan ik u morgen verder helpen. Ik wil gerust tijd voor u vrij maken zodat u mij precies kunt vertellen waar het over gaat.’

Maar ik wil niet tot morgen wachten. Ik wil het nu weten.

‘Ik kan het u ook nu vertellen,’ zeg ik. ‘Ik wil de informatie zo snel mogelijk. Uiteraard begrijp ik dat daar kosten aan verbonden zijn.’

‘Moment,’ zegt hij. Het gelach en gepraat op de achtergrond vervaagt. Ik hoor zijn voetstappen op een harde ondergrond.

‘Ik zal zien wat ik voor u doen kan,’ zegt hij dan. ‘Geeft u mij alstublieft alle informatie die van belang is.’

‘Het gaat om een man, Franz Walser.’ Ik spel het voor hem. ‘Een Duitser. Groeide op in de buurt van Lotharingen. In 1943 was hij in Parijs. Daarna is hij overgeplaatst. Misschien dat u ook nog iets kunt met 12e pantserdivisie, vermoedelijk zat hij daarbij. Hij was getrouwd en had in ieder geval drie kinderen. Ik kan u via de app een foto van hem sturen. Ik wil heel graag weten wat er van deze man geworden is.’

Hij zwijgt even als ik uitgepraat ben. In gedachten zie ik hem snel schrijven, de telefoon met zijn schouder tegen zijn oor geklemd.

‘Is dat alle informatie die u hebt?’

‘Meer heb ik niet.’

‘Geen geboortedatum?’

‘Nee, helaas niet.’

‘Ik zal zien wat ik voor u kan doen. Ik ken iemand die bijzonder bedreven is in het uitzoeken van dergelijke zaken.’

‘Dank u wel. Ik zou het graag zo snel mogelijk weten. Het maakt niet uit hoeveel het kost. Er is haast bij.’

‘Ik begrijp het. Ik ga doen wat ik kan. Noteert u mijn nummer, alstublieft, dan kunt u mij de foto sturen.’

Hij noemt een nummer. Als ik de telefoon heb weggelegd, bonkt mijn hart zo dat ik een paar keer diep in- en uitadem. Dan maak ik een foto van de foto van Franz en verstuur die.

Ik pak de dagboeken en lees ze opnieuw. Misschien is er informatie die ik over het hoofd heb gezien.

Het is al diep in de nacht als ik de lamp uitdoe. Ik blijf lang in het donker naar het plafond staren. Tegen de ochtend val ik in slaap, en het is al in de middag als ik wakker word. Er is nog niet gebeld.

 

Dit is het twintigste deel van het vervolgverhaal Zeeglas, geschreven door Els Florijn.

Dit vervolgverhaal bestaat uit 22 delen, waarvan dit het twintigste deel is. Elke dag zal er een nieuw deel geplaatst worden, het volledige overzicht van de delen vindt u hier.


    

Meer van Els Florijn

Rode papaver van Els Florijn is een historische roman over de moed van twee verpleegsters in de Eerste Wereldoorlog, gebaseerd op een waargebeurd verhaal.

Bestel dit boek voor €12,50

 

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *